Op donderdag, 20 april gaf Erik Goris een lezing over het verdwijnsyndroom.
Dat dit onderwerp velen onder ons aanspreekt, mocht blijken uit de grote hoeveelheid vragen die vanuit het talrijk opgekomen publiek werden gesteld.


Voor zij die niet aanwezig konden zijn op deze lezing, werden hieronder een aantal krachtlijnen opgenomen die in de lezing aan bod kwamen. De slideshow die Erik gebruikte ter ondersteuning kan je hier downloaden.
De titel van deze uiteenzetting was ‘het verdwijnsyndroom’ en dus niet ‘de verdwijnziekte’, zoals dit de laatste jaren nogal veel te vinden is in allerlei teksten en op fora. Vermits het hier gaat over een multitude aan oorzaken die samen leiden tot een beeld, is de term ‘syndroom’ veel meer op zijn plaats dan ‘ziekte’.
Erik is een man die met de jaren geleerd heeft om te lezen wat de toestand is van zijn volken, gewoon door ze te openen, nog zonder een raampje hoeven op te lichten. De basis om dit te kunnen is je volken goed te observeren (kijken en luisteren) over langere termijn. Zo kan je per volk inschatten dat ze bijvoorbeeld raamvast zijn, of net graag veel rondhosselen. Als je dan een raamvast volk opent en dat blijkt plots heel actief rond te lopen of je hebt een volk dat anders nogal wat energie uitstraalt en er nu plots loom uitziet, dan weet je dat er iets niet in de haak zit. Dit is een kunde die je jezelf kan aanleren, maar ze vraagt wel wat tijd.
In de lezing kwam naar voor dat er verschillende fasen zijn in het verval van een volk. In de eerste fase zullen de meeste imkers denken dat alles er nog goed uitziet. Enkel de geoefende imker zal merken dat er ‘iets niet in de haak zit’. De tweede fase wordt al wat duidelijker. Hier beginnen een aantal bijen een ziektebeeld te vertonen. De oplettende imker zal dit wel kunnen opmerken. In de fase drie wordt het duidelijker en duidelijker dat er iets aan de hand is. Als je hier pas opmerkt dat er iets scheelt, riskeer je al te laat te zijn om nog met resultaat te kunnen ingrijpen. De vierde en vijfde fase zijn eigenlijk al het volledig ten onder gaan van het volk.
Het is volgens Erik zaaks zo snel mogelijk te merken dat er iets fout is, dus liefst in fase 1. Elke imker zou dan ook de verschillende factoren die bij fase 1 horen moeten begrijpen. In de VS focust men zich op drie items : varroa, de ziektes van de koningin en voeding. De slide van Erik geeft nog wat extra elementen als het weer, gifstoffen en parasieten.
De focus van de lezing lag evenwel op twee items : het monitoren van de varroamijten en de voeding.
Voor het monitoren van de varroamijten kan je een artikel vinden in onze kennisbank. In het ledenportaal kan je een kaart vinden die je kan gebruiken om je varroadruk per volk op te volgen. Je krijgt er dan ook een indicatie of je al dan niet moet behandelen. Zeker de moeite om het artikel eens door te nemen. Erik is geen voorstander van het luierlezen. Hij ziet liever cijfers die hij correct kan interpreteren in plaats van af te moeten gaan op indicaties van mijtenval.
Zoals we intussen weten voedt de varroa zich niet met het bijenbloed, maar met de vetreserves van de bijen. Deze vetreserves zijn opgeslagen in een soort van potjes. Als een bij in moeilijke tijden deze reserves moet aanspreken, kan ze later deze potjes opnieuw aanvullen. Dat is echter niet meer het geval als de bij slachtoffer werd van een varroa. Deze parasiet zuigt de vetpotjes immers niet leeg, maar eet ze mee op. Vandaar dat de bijen dan minder lang leven.
Voor de voeding denken we met zijn allen eerst aan een goede nectarstroom. Die is natuurlijk belangrijk, want deze zorgt ervoor dat het volk genoeg energie binnenkrijgt om te kunnen functioneren. Wat minstens even, zoniet meer, belangrijk is, is het verzamelen van stuifmeel. Het stuifmeel levert de eiwitten aan die een bijenvolk nodig heeft om een zekere immuniteit op te kunnen bouwen en te bewaren tegen ziekten. Je kan het vergelijken met onze witte bloedcellen. Als een volk te weinig stuifmeel kan verzamelen, riskeert de immuniteit snel af te brokkelen en kan het volk sneller ten prooi vallen aan menig virus/bacterie.
Een mooi voorbeeld van het nut van deze immuniteit is de nosema. De nosema die vroeger aanwezig was in onze volken was makkelijk te detecteren. De bijen verloren immers stoelgang op en in de kast. Vandaag zien we dat nosema cerana de bovenhand genomen heeft. Deze soort van nosema is veel minder makkelijk te detecteren door de imker. Als er genoeg aminozuren (bouwstenen van stuifmeel) in het volk aanwezig zijn, blijft de nosema onderdrukt.
Het belang van stuifmeel kan dus niet onderschat worden. Een goed, stevig volk, heeft al gauw 40 tot 50 kg stuifmeel per jaar nodig. Indien dat niet gevonden kan worden in de omgeving, kan de imker de verzamelde stuifmeelvoorraad helpen aanvullen met stuifmeelvervangers. Zie het artikel ‘recepten – stuifmeelvervanger’ in onze kennisbank om te zien hoe je die kan maken.
Als er niet genoeg stuifmeel voorhanden is (komt al vaker voor in de zomerperiode), zal je ‘droog broed’ krijgen. ‘Nat broed’ is het broed dat goed voorzien wordt door de voedsterbijen van pap in die mate dat ze erin lijken te zwemmen. ‘Droog broed’ wordt voorzien van het absolute minimum aan pap. Als je dit waarneemt, loert een broedstop achter de hoek, en dat kan je toch wel best vermijden. Droog broed wijst op honger van de bijen. Hier kan je dus eventueel suikerwater, maar zeker stuifmeelvervanger aanbieden. De stuifmeelvervanger kan je aanbieden op de toplatten of je kan deze aanbrengen in een dekseltje en dit op het voedergat aanbieden. Zorg er wel voor dat de afstand tussen broed en stuifmeelvervanger niet groter wordt dan 7 cm. Er werd reeds bewezen dat een grotere afstand ertoe leidt dat het voedsel vaak niet gevonden wordt.
Een minder gekend probleem vormen de koudeschokken die onze volken moeten ondergaan in de aanloop naar de winter. We stellen met zijn allen vast dat het in oktober en november vaak nog heel goed weer is. Zo goed weer zelfs dat menig bodembedekker zelfs nog in bloei komt en de bijenvolken de nectar gaan ophalen. De instroom van voedsel zorgt ervoor dat de koningin terug meer aan de leg gaat. Als het dan even een paar dagen kouder wordt, gaat het volk in wintertros zitten waardoor het pas aangezette broed verlaten wordt. Even later kunnen er terug een aantal mooie dagen zijn. De bijen gaan terug foerageren en de koningin gaat verder aan de leg. Dan weer koude dagen waarbij het broed verlaten wordt, enz. Gans dit ontregelde weersysteem zorgt ervoor dat de bijen heel wat onnodige eiwitten (dus stuifmeel) gaan verbruiken waardoor ze met tekorten komen te zitten in het voorjaar.
Een ander nadeel van deze koudeschokken is dat de verzamelde nectar niet kan ingedikt worden. Deze gaat dan ook sneller versuikeren waardoor de bijen een wintervoorraad hebben (die ze dicht bij het broed hebben opgebouwd) die ze niet meer kunnen aanspreken. Ze gaan met de wintertros niet over dit versuikerde voedsel heen naar de goede honing en gaan daardoor ter ziele.
Als imkers hun kasten kwijt spelen in november, komt dit vaak door het feit dat er geen of niet genoeg winterbijen werden aangemaakt. De koningin begint immers minder eitjes te leggen en de zomerbijen sterven af na een zestal weken. Het volk zal dan te klein worden en tegen november afsterven.
Als de kolonies sterven in december, heeft dit vaak te maken met de koude die dan opsteekt. De bijen willen in wintertros gaan, maar als de kritische massa aan bijen om die tros te vormen niet aanwezig is, gaat het volk ten onder aan de koude.
Vanaf februari tot begin april zien we ook dat er vele kolonies sterven. Hier kan men denken aan het feit dat de koningin de leg terug aantrekt en dat het broed niet goed genoeg kan verzorgd worden bij gebrek aan eiwitten. Slecht verzorgd broed kan zich niet goed ontwikkelen waardoor de kasten het zeer moeilijk krijgen, te meer omdat menige winterbij al afsterft. Het kritieke punt voor de bijenkasten ligt zowat rond begin april. Op dat ogenblik zitten er het minste volwassen individuen in de kasten.
Als uitsmijter hebben we nog een paar stellingen van Erik.
Als eerste stelt hij dat je je kasten best in warmtebouw zet. Indien een volk het moeilijk krijgt, kan je dan immers met een scheidingsplank enkele ligplaatsen afsluiten aan de voorkant, waardoor de door de bijen warm te houden ruimte kleiner wordt.
De dekplanken die we vandaag gebruiken zijn niet vochtdoorlatend waardoor zich aan die planken koude condensdruppels kunnen vormen die kunnen neervallen op de volken en deze afkoelen. De methode die de imkers vroeger gebruikten (plaatsen van een jute zak als afsluiter) was beter voor de volken. Je kan daar terug naartoe gaan of je kan ook een koninginnenrooster leggen en daarboven een stapel dweilen (die met de Belgische vlag) leggen. De dweilen bieden enerzijds de benodigde isolatie, maar zijn anderzijds ook dampdoorlatend. Als je regelmatig de dweilen inspecteert en de bovenste dweilen vervangt als deze nat worden, bewijs je je volk een grote dienst.

 

Sorry, this website uses features that your browser doesn’t support. Upgrade to a newer version of Firefox, Chrome, Safari, or Edge and you’ll be all set.