Op 29 april mochten we Geert Groessens verwelkomen die een uiteenzetting kwam geven over de warmtehuishouding in een bijenvolk. Voor diegenen die niet aanwezig konden zijn, volgt hieronder een samenvatting van zijn boodschappen.

De slides die Geert gebruikte kan je terug vinden in het ledenportaal.

Een insect is een koudbloedig dier, wat wil zeggen dat het zichzelf maar moeilijk warm kan houden en snel de omgevingstemperatuur aanneemt. Dat is de reden dat insecten minder te vinden zijn op koele, schaduwrijke plaatsen en meer op zonnige plekken.

Het voordeel dat onze Europese honingbijen hebben is dat ze schuilers zijn die in groep leven. Ze kunnen meerdere raten bouwen in het nest, waardoor ze de temperatuur die aldaar heerst hebben leren reguleren. Dit heeft ervoor gezorgd dat we ze van nature in een groot verspreidingsgebied kunnen terugvinden (De Apis Cerana vinden we enkel terug in subtropisch klimaat).

Als je de honingbijen vergelijkt met de hommels, wespen en hoornaars, dan springt vooral de hoge temperatuur van het broednest in het oog. Met maar liefst 35° C spannen ze hier de kroon. De bijen zijn de enigen uit dit groepje die samen overwinteren. Ook in de koudste dagen, houden ze in het midden van de wintertros een nesttemperatuur aan van 20 tot 25° C. Bij het aanzetten van het eerste broed in januari, terwijl het buiten nog stenen uit de grond kan vriezen, wordt de nesttemperatuur al gauw op 35° C gebracht.

Aan de buitenkant van de tros is het kouder (ongeveer 12° C) en de bijen gaan daarom regelmatig van plaats wisselen. Vanaf het ogenblik dat het kouder wordt dan 10° C kunnen ze immers in de problemen komen.

Professor Seeley bestudeerde meerdere tientallen zwermen en kon vaststellen dat de bijen zich in een soort patroon nestelen in de zwerm. Zo zag hij dat de bijen in de kern van de zwerm hun spieren bewegen om warmte te genereren, terwijl er zich een dikke laag van bijen rond hen vormt. Die laag bijen zorgt ervoor dat de gegenereerde warmte binnen de kern blijft, waardoor ze snel in staat zijn de 38° C te bereiken die nodig is om was uit te zweten.

Als de buitentemperatuur stijgt, wordt de isolerende bijenlaag losser opgebouwd en bij hogere temperaturen gaan de bijen in patronen zitten waarbij er luchtstromen kunnen lopen tussen hen in om voor afkoeling te zorgen.

Wordt het wat te warm, dan gaan ze water verzamelen. Ze strijken dit uit over de zwerm en over de reeds opgebouwde raat. Het water verdampt dan en neemt alzo een beetje temperatuur mee weg.

Als we even kijken naar de hommels, dan zien we dat deze hun nestjes zoveel mogelijk omgeven met isolerend materiaal, maar ze doen niet zelf aan een eigenlijke warmtehuishouding.

De papieren wespennesten, die in plateaus worden opgebouwd zijn veel minder efficiënt dan de wassen raten die de bijen aanmaken.

Waarom is de warmtehuishouding binnen een bijennest dan zo goed uitgevoerd? Wel naast de hiervoor reeds genoemde truukjes die de bijen toepassen, kunnen ze ook beroep doen op het gegeven dat honing eigenlijk suikers zijn en die hebben de eigenschap van maar traag van temperatuur te veranderen. De bijen plaatsen de honing rond het broed, waardoor deze als een effectieve isolatielaag fungeert. Ook de was op zich, die bestaat uit vetten, helpt als isolator.

In de jaren ’30 werd gesteld dat de rode klaver, die veelvuldig voorkwam in onze streken, nauwelijks bezocht werd door honingbijen omdat ze met hun tong niet aan de diepliggende nectariën geraakten. Om de dracht van deze klaver niet te verliezen, besloot men zo groot mogelijke bijen te gaan telen. Men bracht de raatmaat op 5.4 mm en men ging de ramen 38 mm (hart op hart afstand) uit elkaar hangen. Dat heeft het voor de bijen wat moeilijker gemaakt om de huishouding in orde te houden. Idealiter zou de raatmaat onder de 5 mm moeten zitten en zouden de ramen op 35 tot 36 mm moeten hangen. De bijen gaan in de vrije natuur de raten zo opbouwen dat hun ruggen tegen elkaar schuren als ze elkaar passeren. Bovenaan de raten is er zelfs maar een doorgangsplaats voor één bij.

Om de warmtehuishouding nu eigenlijk een beetje te ontleden, vallen we terug op twee kernideeën: warmte vasthouden en ventilatie.

Een probleem waarmee de bijen in dit kader geconfronteerd worden is dat ze nectar verzamelen die ongeveer 80% water bevat en dat ze die gaan omtoveren tot honing die slechts 20% water meer in zich draagt. Dat maakt dus dat er veel water moet uitgedampt worden, waardoor de luchtvochtigheid in de kast stijgt. Bijkomend is honing een samenstelling van suikers of koolhydraten. In die naam zien we twee elementen terugkomen: koolstof en water. Als men de kool verbrandt, komt het water vrij. De kool op zich wordt daarbij omgezet in CO2.

Als we nu het natuurlijke nest van een honingbij bekijken (de holle boom), dan zal die ruimte dus vrij snel veel water gaan bevatten en de bijen zorgen ook voor een suikerreserve. Waters en suikers samen maken een ideale voedingsbodem voor schimmels en bacteriën.

Dat is de reden dat ventilatie van extreem belang is in een bijennest. In de winter, als de bijen in tros zitten, is ventilatie echter onmogelijk. De bijen zetten daarom in op de droogte van hun nest.

Van nature uit zal koude, vochtige lucht zwaarder zijn dan warmere lucht. Deze koude lucht zal zich dan ook onderaan gaan samenhopen.

In de boomholte gaan de bijen propolis smeren tegen de wanden. Die propolis laat waterdamp door, maar geen waterdruppels. De waterdamp zal stijgen tot deze het ‘plafond’ van de boomholte bereikt en zal zich daar door de propolis heen begeven. De damp zal vervolgens condenseren, maar die druppels kunnen niet terug door de propolis heen. Het is de boom die via de cellen van het hout deze druppels zal opzuigen (via capilaire opstijging).

Het water wordt op die manier afgevoerd uit het nest.

Professor Seeley die hierboven al werd aangehaald stelde vast dat in een natuurlijk nest de honing steeds bovenaan wordt opgeslagen. Onder de honing volgt een band met stuifmeel met daartegen het broednest. De eerste koninginnendoppen die een volk aanzet in een natuurlijk nest zullen zich steeds onderaan het nest bevinden. Vermoedelijk is dat omdat ze dan gewoon kunnen doorbouwen naar onderen toe.

Er werd ook vastgesteld dat de bijen ventilatiekanalen maken aan de randen van de raat, waardoor de vochtige lucht makkelijker kan afgevoerd worden. De darrencellen vindt men doorgaans achteraan het nest terug (weg van de vliegopening).

Er bleek ook een zeer duidelijke voorkeur te bestaan voor koudebouw, wat ook de ventilatie weer ten goede komt.

Als men de dynamiek van een volk bekijkt in een dergelijk nest, dan ziet men dat het volk begint met het bouwen van de raat van boven naar beneden. De raat wordt steeds verder uitgebouwd en de eerste honing (de lentehoning) wordt bovenaan gestockeerd. In de zomer blijft het nest naar onderen toe aangroeien en volgt de zomerhoning. Die wordt dus onder de lentehoning gestockeerd. Vanaf september gaat het volk inkrimpen, en gaat het zich langzaamaan terug naar boven toe begeven. De zomerhoning wordt dan ook als eerste verbruikt, waardoor de lentehoning, die minder mineralen bevat en minder belastend is voor de darmen in de koude winterperiode pas tegen het einde aan bod komt.

Professor Seeley deed ook een test om te zien welke soort ruimte een volk prefereert om een nest te bouwen. Hij bood daarom verschillende ruimtes aan op een eiland waar wilde bijen leefden. Hij kwam erop uit dat ruimtes vanaf 12 l tot 100 l ingenomen werden door de bijen, met een duidelijke voorkeur voor ruimtes van 40 liter volume.

De vorm van de ruimte bleek eigenlijk geen rol te spelen. Dat geeft ons als imkers de kans een kast te kiezen die afgestemd is op de ventilatienoden van het volk. De bijen vertoonden een voorkeur voor ruimtes die onderaan een smalle horizontale opening hadden van 15 op 2 cm, wat dan weer raar is, want die vind je bijna niet in de vrije natuur. De ideale plek bleek zich te bevinden op een hoogte van 5 tot 6 meter en had een opening op het Zuid-Oosten.

Het is misschien raar dat de bijen een holle ruimte in een boom zoeken die zich op 5 tot 6 meter van de grond bevindt. Toch is dit vrij logisch. Een boom moet solide zijn aan de basis, maar flexibel in de kruin. Een tak die hol is zal op een hoogte van 5 tot 6 meter nog ideaal zijn qua sterkte om een bijennest te huisvesten. Daarnaast is dit ook een veilige hoogte (weinig beren, muizen en ratten, maar ook minder vocht zal die hoogte bereiken).

Geert besprak een groot aantal verschillende soorten bijenwoningen. In de slides kan je ze allemaal even overlopen. We beperken ons hier tot enkele specifieke opmerkingen die gemaakt werden bij dit topic.

De ideale, door de mens gemaakte, bijenbehuizing blijkt de Lüneburger Stülper korf te zijn. Deze heeft wanden van ongeveer 5 cm dikte. Ze werden jaarlijks bestreken met koeienvla, leem en as. Die wanden zijn zo sterk dat je er kan op staan, zowel op de bovenkant als op de zijwanden. De vliegopening bij deze korven is heel hoog geplaatst (om ervoor te zorgen dat de honinglaag zich langs de achterwand tot onderaan uitstrekt (het broed wordt dadelijk achter de vliegopening aangezet en de honing erboven). Dan kan je een deel van de honing oogsten zonder het volk te moeten vernietigen. Korven werden trouwens steeds onder afdak gezet om ze te beschermen tegen de regen.

Zelfs zonder bijen in deze korf, biedt deze een optimaal klimaat aan aan de inwoners. De bijen verkiezen 45% als optimale vocht (is droger dan dat wij het willen). Deze ‘oude’ korven scoren beter dan de moderne styroporkasten als het op vocht- en temperatuurregeling aankomt.

Bijen hebben niet graag dat je in hun broedruimte rommelt. Als je imkert op twee broedkamers doe je dat per definitie elke keer dat je het volk controleert. Imkeren op één hogere broedruimte is daarom beter (meer relax voor de bijen) volgens Geert.

Als je bekijkt hoe een boom groeit, dan is dat in de lengte. Dat wil zeggen dat de vezels van het hout zich uitstrekken van aan de grond naar de kruin toe, niet dwars. Als we nu houten planken zagen uit een boomstam, dan gaan we dat altijd in de lengte-as doen (zo kunnen de planken natuurlijk langer worden) en van die planken maken we dan bijenkasten. Als je nu gaat bekijken waar de nerven van het hout liggen, dan liggen die in het horizontale vlak van de kast (met kops hout kan je immers geen sterke kasten maken). Als je dan beseft dat het de nerven zijn die vocht kunnen transporteren, dan besef je dat de stelling dat ‘houten kasten kunnen ademen’ helemaal geen steek houdt. Het maakt dan ook niet uit van welk soort hout een kast gemaakt is (behalve dan misschien voor de intrinsieke isolatiewaarde).

Iets dat je sowieso met je kasten kan doen om de bijen te helpen is de bovenkant goed te isoleren. Die isolatie kan je winter en zomer laten liggen. Als je dit op een natuurlijke wijze wil doen, dan moet je eigenlijk het principe van de holle boom nadoen.

Daarvoor leg je eerst een juten doek (of stoffen doek) boven op de toplatten van je kast. Dan plaats je een houten kader van 10 cm hoog (dat je zelf in elkaar timmert) boven op die juten doek. Dat kader heeft dus de buitenafmetingen van je kast. In dit kader leg je een dweil (die kan nog vuil worden door de propolis die de bijen aan de juten doek zullen kitten). Op die dweil komt je eigenlijke, ademende isolatie. Hiervoor gebruik je best houtwol van 10 cm dik die je bij een biologische houthandel kan vinden. Die houtwol kan je in kussens stoppen om die beter te kunnen manipuleren.

De vochtige lucht die zich in de kast bevindt, kan door de juten zak, door de dweil tot aan de kussens geraken. Daar zal die de houtwol doordringen. Het vocht zal naar boven gaan en als je ervoor zorgt dat er een goede luchtstroom kan ontstaan boven het kussen, zal dit vocht afgevoerd worden (en blijft je kussen droog).

Je kan die luchtstroom makkelijk verzekeren door onder je bestaand dak een paar stokjes te leggen. Beter nog is een nieuw dak in elkaar te timmeren. Maak een zadeldak met een noklat. Je maakt een opening onder de noklat en je laat ook openingen onder de twee uiteinden van het dak.

Je kan ook best ervoor zorgen dat de muizen zich niet knusjes in je isolatie komen nestelen door onder de gleuven een gaas te bevestigen.

Gebruik als isolatie geen schapenwol of hennep. Die zijn in meer of mindere mate waterafstotend, waardoor er snel condens ontstaat. Stro kan wel, maar dan moet je laag dikker zijn. Vroeger nam men kaf, maar dat vind je nu nog maar moeilijk.

Geert haalde ook even het onderwerp ‘varroabestrijding’ aan. Hij doet al 10 jaar niet meer aan chemische bestrijdingen.

Hij bekijkt zijn volken goed vóór 15 maart. De volken die voor deze datum al dode poppen naar buiten brengen, zijn volken die eventuele problemen, waaronder een varroabesmetting, zo snel mogelijk aan de bron aanpakken. Hij teelt dan verder van deze volken.

Hij bekijkt ook de varroa die op de luier ligt onder de microscoop. Bij de betere volken zie je dat de varroa bijtwonden (van de bijen) heeft.

Hij meet ook begin september gedurende een week de varroaval. Een volk dat dan weinig val heeft, heeft de varroa onder controle.

Volgens Geert houden we samen als imker ook de varroa in leven door teveel volken aan te houden die niet overweg kunnen met deze parasiet. Hij haalde het voorbeeld aan van Cuba waar er nu geen varroa meer is. Toen de varroa daar de kop opstak, waren de imkers te arm om er iets tegen te beginnen. De bijen moesten het daarom zelf doen en vonden na 6 jaar al een manier om de varroa te lijf te gaan. Vele volken sneuvelden in de eerste jaren natuurlijk, maar dat is een prijs die we misschien wel moeten durven betalen.

Nog een weetje als uitsmijter:

Het trommelen van de bijen is het maken van een aflegger bij het korfimkeren. Men nam dan een korf met volk erin en een lege korf. De volle korf draaide men om en men hield de lege korf erboven. Dan begon men met stokken te 'trommelen' op de korf, waardoor een deel van het volk naar boven verhuisde.

Sorry, this website uses features that your browser doesn’t support. Upgrade to a newer version of Firefox, Chrome, Safari, or Edge and you’ll be all set.