De tropilaelaps mijt is bezig aan een stevige opmars. Als deze mijt even snel oprukt als de varroa, zullen we ze over een tiental jaar kunnen waarnemen in onze kasten.

 

Dat imkeren veel meer geworden is dan je enkel te bekommeren over de bijtjes, is een open deur intrappen. De strijd tegen de varroa is sinds de jaren '80 onderdeel geworden van de bijenteelt en sinds 2015 ongeveer kunnen we daar ook de strijd tegen de Aziatische hoornaar aan toevoegen. Voor we het goed en wel beseffen zullen we ook met de tropilaelaps geconfronteerd worden in onze kasten.

Wetenschappelijke benaming: Tropilaelaps SPP. Delfinado & Baker of ‘de Tropimijt'.
Identificatie
tropiFoto : Pest and diseases Image Library, Bugwood.orgDeze mijt komt oorspronkelijk uit Azië waar ze hoofdzakelijk de Apis dorsata parasiteert, maar ze komt er ook voor op de andere bijensoorten.
Op Apis mellifera blijkt ze jammer genoeg ook goed te gedijen.
De vrouwelijke volwassen tropimijten (foto rechts) zijn ongeveer 0.7 tot 1 mm lang en 0.5 tot 0.6 mm breed, waardoor ze ongeveer 1/3 van een varroamijt groot zijn (zie foto onder). Door hun donkere kleur en hun grote beweeglijkheid zijn ze goed waar te nemen in een bijenvolk. De mannetjes zijn merkelijk kleiner.

De volwassen exemplaren hebben 8 poten.
Het lichaam is eerder smal en lang, daar waar varroa eerder breed uitvallen.
Op het lichaam van deze mijten vindt men verschillende korte, denneboomachtige haren terug. 

Levenscyclus
Zoals de varroa, gaat de tropimijt een cel met larve binnen net vooraleer deze afgesloten wordt. Na het afsluiten, legt de mijt 3 tot 4 eitjes. Na 12 uur worden de tropi-nymphen geboren en beginnen ze zich te voeden aan de zich ontwikkelende bijenlarve. Binnen de week is de nymph overgegaan naar het volwassen stadium. Er wordt aangenomen (nog niet bewezen) dat de mijten paren vooraleer ze de cel verlaten.
Als de bij geboren wordt, komen de tropimijten mee uit de cel, en gaan ze op zoek naar nieuwe larves. De meesten reizen niet mee op de pasgeboren bijen. Slechts 3 tot 4 % van deze mijten wordt gevonden op volwassen bijen. Dit maakt dat ze zich veel sneller verspreiden dan de varroa en dat ze tevens moeilijker te bestrijden zijn met chemische middelen. Indien zowel varroa als de tropimijt aanwezig zijn in eenzelfde volk, neemt de tropimijt het doorgaans snel over van de varroa. (25 tropi per varroa)

Over de levensduur van de tropimijt is weinig informatie te vinden. Er wordt veelal gesteld dat ze 'veel minder lang leeft dan de varroa'.


varroa en tropiFoto : Zachary Huang, www.beetography.com

Verspreiding
Deze mijt is bezig met een snelle verspreiding over de wereld (veel sneller dan dat varroa zich kon verspreiden). In 2024 werd deze mijt reeds opgemerkt in de Russische regio van de Zwarte Zee en tot in Georgië. Er wordt dan ook verwacht dat deze mijt relatief snel zal opduiken in de regio’s met een gematigd klimaat van Amerika en Europa. Zoals de varroa, heeft de tropilaelaps het potentieel om zich wereldwijd te gaan settelen.
De tropimijten kunnen meereizen op volwassen bijen waardoor ze zich kunnen verspreiden tussen kolonies. Toch zijn er hier beperkingen. Enerzijds kan ze zich niet vastbijten in een volwassen bij, waardoor ze relatief snel van de bij zal vallen, anderzijds heeft deze mijt binnen de twee tot drie dagen nieuw broed nodig om zich te voeden. Na twee dagen zonder broed blijkt 88% van de mijten het niet te overleven.
De snelheid waarmee deze mijt zich zal kunnen verspreiden, zal vooral afhangen van de ingesteldheid van de mensen (lees: de strengheid van de controles op het transport van bijen). De meeste wetenschappers die deze mijten bestuderen gaan ervan uit dat de tropilaelaps slechts enkele dagen kan overleven zonder broed. Ze zouden zich immers enkel voeden op de larven. Als deze stelling correct is, dan is de kans dat deze mijt bijvoorbeeld tot op het Amerikaans contingent geraakt (met een reis over zee of via het vliegtuig) heel klein voor zover men zich eraan houdt geen volledige bijenvolken te importeren. Het importeren van koninginnen, eventueel begeleid door een aantal werksters, en zelfs het meekomen van een zwerm die zich op een schip verschalkt, zou geen probleem mogen geven, omdat in beide gevallen er een lange broedloze periode is. Toch moet er een duidelijke kanttekening gemaakt worden bij de stelling: er zijn immers al tropilaelaps gevonden op ratten die geassocieerd werden met bijennesten en er zijn ook sommige wetenschappers die stellen dat er een (weliswaar geringe) kans bestaat dat de mijt zou kunnen overleven op dode bijen en op levende volwassen bijen (door het eten van de zachte membramen die zich naast de vleugels bevinden). Meer onderzoek is dus nodig om hierover uitsluitsel te krijgen.
De sleutel om de verspreiding op een correct tempo te houden is alleszins dat we geen volkeren over grote afstand verplaatsen en om ons in te dekken kunnen we toch ook best geen koninginnen uit het buitenland gaan invoeren in onze streken.

Voeding
Zoals de Varroamijt, voedt de tropimijt zich met de vetreserves van de zich ontwikkelende honingbijen. Een verschil met de varroa is echter dat de tropimijt zich niet kan vastbijten op een volwassen bij. De monddelen van de mijt zijn daarvoor te klein. Ze is dus afhankelijk van de aanwezigheid van broed.

Vaststelling van een infectie
Je kan visueel vaststellen dat je te maken hebt met een infectie door de tropimijt: een onregelmatig broedpatroon, geperforeerde celafdichtingen (door de werksters die de aangetaste larven opruimen), pas geboren bijen met misvormde vleugels en misvormde of ontbrekende poten zijn symptomen.
Neem een witte kom. Verwijder een raam met gesloten broed van de kolonie. Schudt de bijen eraf en klop stevig op één zijde van het raam boven de kom. Draai het raam en klop nogmaals. Herhaal dit 3 tot 4 keer. Tel vervolgens de in de kom gevallen mijten.


Aangerichte schade

Eigenlijk zien we hier dezelfde factoren terugkeren als bij de varroamijt. Deze mijt verspreidt virussen en zorgt voor een verkorte levensduur van de bijen omdat ze zich te goed doet aan de vetreserves van de larven.
De meeste studies hieromtrent werden uitgevoerd in Zuid-Korea (in een streek waar nog koude winters voorkomen) en in Thailand (waar de koninginnen ook in de winterperiode aan de leg blijven).

In Thailand ziet men dat de tropilaelaps de bovenhand neemt op de varroa. Dat komt vooral door de snelheid van reproduktie van deze mijten. Voor de varroa zag men een gemiddelde reproduktie van 2.7 over een periode van 2 maand. Dus als men 100 varroa had op dag 1, zag men 270 varroa op dag 60. Voor de tropilaelaps mat men in Thailand een reproduktiefactor van maar liefst 21. Honderd tropilaelaps op dag 1 werden dus 2100 tropilaelaps na 60 dagen !
In Zuid-Korea, wat qua klimatologische omstandigheden dus eerder zal aanleunen bij wat ons te wachten staat, kwam de reproduktiefactor van de tropilaelaps uit op 11. Dat is dus nog altijd 400% hoger dan deze van de varroa.
Als resultaat hiervan zag men in Zuid-Korea dat de onbehandelde kasten vooral ten onder gingen aan de hoge varroadruk. In Thailand zorgde de tropilaelaps voor het bereiken van het breekpunt van de bijenvolkeren.

Wat kan je er tegen doen?
De snelle aangroei van de tropilaelapsmijten wil alleszins zeggen dat we als imkers vaker of meer efficiënt zullen moeten strijden tegen deze mijten. Als we ervan uit gaan dat deze mijten broed nodig hebben om te overleven, zal het een noodzaak worden van een broedstop te forceren in onze kasten. De methode die Eddy Nowicki voorstelde tijdens zijn lezing kan hier dus soelaas bieden. Ook het gebruik van mierenzuur blijkt goed te werken tegen deze mijten (omdat dit in gasvorm tot in de cellen doordringt). Oxaalzuur is veel minder effectief omdat het niet doordringt tot in de afgesloten cellen en omdat de tropilaelaps niet op volwassen bijen terug te vinden is.
Kan de varroa-resistente bij ook helpen tegen de tropilaelaps? Dat werd nog niet bekeken. Als dat zo blijkt te zijn, zou het een goede reden zijn om hierop volop in te zetten.
Het regelmatig invoeren van een nieuwe koningin (met hygiënische kenmerken) wordt ten zeerste aangeraden.

 

bronnen : Tropilaelaps mite Tropilaelaps SPP. Delfinado & Baker  door Ashley N. Mortensen, Sarah Burleson, Gunasegaran Chelliah, Ken Johnson, Daniel R. Schmehl en Jamie D. Ellis

Tropilaelaps mites door Douglas Somerville, Technical Specialist Honey Bees, Goulburn

The Auburn Series - How the Auburn university bee center is thinking about tropilaelaps vs varroa mites, Beeculture, augustus 2025, pag 22 ev

Sorry, this website uses features that your browser doesn’t support. Upgrade to a newer version of Firefox, Chrome, Safari, or Edge and you’ll be all set.