De eerste keer dat ik van de term Vitellogenine hoorde, was bij de lezingen van Erik Goris over de verdwijnziekte. Alleen al het feit dat er geen gemakkelijkere Nederlandse benaming bestond voor deze term, deed me al snel afhaken. Nu we een paar jaar ouder en wijzer zijn geworden, ben ik toch maar eens wat meer gaan opzoeken over Vitellogenine. Het is immers een zeer belangrijk element in het leven van onze bijen.
Laten we voor het gemak Vitellogenine al afkorten tot Vg in de rest van dit artikel. Het bespaart me niet alleen wat typewerk, maar is ook makkelijker uit te spreken :).
De benaming Vg komt van de woorden vitellus (dooier) en genere (voortbrengen). Het is dan ook een belangrijk element voor alle eileggende dieren. In de eitjes van de bijen zit een dooier die als voedsel dient voor het zich ontwikkelende embryo.
Bij onze honingbijen heeft Vg nog een belangrijke bijkomende functie, extern aan de eitjes: het maakt deel uit van de eiwitvoorraad van een gans volk. Tijdens de eerste 7 dagen van haar leven zal de werkster veel stuifmeel nuttigen. In dit stuifmeel zitten aminozuren die via het bloed getransporteerd worden naar de verschillende cellen van het bijenlichaam om aldaar dan omgevormd te worden tot eiwitten. Deze eiwitten worden opgeslagen in de vetlichaampjes van de kop en het achterlijf. De vetlichaampjes kunnen vervolgens worden aangesproken om eiwitrijke voedersappen aan te maken om de rest van het bijenvolk van eiwitten te voorzien. Vermits Vg deel uitmaakt van deze eiwitreserve, maken alle werksters samen dus een eiwitreserve aan die door gans het volk kan aangesproken worden.
De winterbijen die geen broed moeten verzorgen, dienen de eiwitvoorraden in de vetlichaampjes niet aan te spreken, waardoor ze een hoog gehalte aan Vg behouden. Dat is de reden dat ze zo lang kunnen leven (zelfs tot 10 maand in de Noordelijker regionen). Vg blijkt een zeer grote impact te hebben op de levensduur van de winterbijen (ondermeer omdat Vg het immuunsysteem versterkt en werkt als een anti-oxydant).
Vanaf het ogenblik dat de winterbijen de vetreserve dienen aan te spreken om het broednest te voeden dat zich vanaf januari begint te ontwikkelen, zal hun Vg gehalte dalen en begint hun verouderingsproces. Ze worden dan als het ware in sneltempo zomerbijen. Men heeft al aangetoond dat er een wisselwerking bestaat tussen Vg en het juveniel hormoon. Daalt het Vg, dan stijgt het juveniel hormoon. In dat geval zal de werkster haar rol al voedsterbij stoppen en zal ze overgaan naar een rol als foerageerster.
Als er een tekort is aan stuifmeel, en dus aan aminozuren, kan dit leiden tot ernstige gezondheidsproblemen. In een dergelijke periode van tekorten (drachtloze periode, periode van langdurige regenval,..., maar ook periodes van zware infecties (o.a. varroabesmetting)), zal er geen volwaardig en niet voldoende Vg aangemaakt kunnen worden. De werksters zullen dan veel vatbaarder zijn voor infecties en zullen minder lang leven.
De bijen proberen steeds de Vg reserve van het volk zo goed mogelijk in stand te houden. Zo zullen de bijen enkel nog de oudste larven verzorgen vanaf het moment dat de eiwitvoorraad te veel slinkt. In het ergste geval gaan ze de eitjes en de jongste larven opeten om de eiwitten die deze bevatten te recupereren.