Je hebt het misschien al meegemaakt: je vindt open doppen in je volk, maar er is geen koningin te bespeuren. Ook na een paar weken zie je nog steeds geen broed. En als je dan een raampje met eitjes in het volk inhangt, trekken ze dadelijk doppen. Het is duidelijk dat er in dit volk een nieuwe koningin werd geboren (of meerdere) en dat er vervolgens iets fout liep.
In Polen werd tussen 2013 en 2015 een veldstudie uitgevoerd waarbij 269 pasgeboren koninginnen werden opgevolgd. Maar liefst 30.2% van deze koninginnen geraakte niet aan de eileg toe. Dat koninginnen al eens vervliegen of uit de lucht gepikt kunnen worden door zwaluwen, wisten we al. Ook dat een aantal koninginnen niet tot paren toe komt (omdat ze niet proberen uit te vliegen of het vliegen fysiek niet blijkt te lukken) merkt elke imker al wel eens op.
Maar nu is de vinger gelegd op een andere factor die nog niet vaak in kaart werd gebracht: de werksters ballen de eigen koningin in na het terugkeren van een oriëntatie- of paringsvlucht.

Uit de studie bleek dat 16.3 % van alle koninginnen zich vervlogen (dus niet in hun oorspronkelijk volk terecht kwamen) na een oriënterings- of paringsvlucht. Op zich bleek dit vaak niet echt een probleem, want meestal werden ze verjaagd in het nieuwe volk (niet gedood) en vonden ze na een tijdje het eigen volk terug. Vandaar dat bij het vervliegen een percentage van 5.2% staat (14 van de 44 koninginnen die zich vervlogen overleefden dit niet). Ook het inballen vraagt een extra toelichting. 15.2% van de terugkerende koninginnen werd ingebald (dus ongeveer 1 op de 7). 24 van de 41 ingebalde koninginnen overleefden dit niet.
De Poolse studie probeerde verbanden te leggen tussen het fenomeen van het inballen en een aantal hypotheses.
Een eerste hypothese was dat er een link kon zijn met de ondersoort. Dat bleek niet het geval te zijn. De studie werd uitgevoerd met Carnioolse, Kaukasische en Europese Zwarte Bijen. Deze ondersoorten vertoonden allen eenzelfde inbalgedrag: de koninginnen van deze ondersoorten werden even vaak ingebald en hun werksters hadden evenveel neiging tot het inballen.
De tweede hypothese, die stelde dat het inballen seizoensgebonden kon zijn, gaf wel een positieve correlatie. Zo bleken meer koninginnen ingebald te worden in de lente dan in de zomer. Er bleek dan weer wel geen verband te zijn met de dracht of met de ouderdom van de inballende werksters.
Men stelde ook vast dat koninginnen die net gepaard hadden, significant vaker werden ingebald dan koninginnen die terugkeerden van oriëntatievluchten. Dit suggereert dat factoren zoals een paringsteken, de geur van het ejaculaat of de tijdsduur dat de koninginnen buiten de kast verbleven, werksters aanzetten tot agressief gedrag (een paringsvlucht duurt significant langer dan een oriëntatievlucht).
Koninginnen die hun oriëntatievluchten verlengden, bleken sneller het slachtoffer van het inballen te worden. Toch bleek dit niet de belangrijkste factor te zijn.
De weersomstandigheden zouden wel een grote rol spelen. Er wordt vermoed dat de koninginnen een stressferomoon afgeven als het te warm is of als er bv een onweer nadert. In elk geval waren er meer inballingen van koninginnen bij hoge luchttemperaturen en vooral als de THSW-index (Temperatuur, Vochtigheid, Zonlicht en Wind) 40°C bereikte. Het vrijkomende stressferomoon zou dan opgepikt worden door de werksters en deze aanzetten tot het inballen.
De meeste koninginnen werden 'ingebald' bij de ingang tijdens hun terugkeer van een vlucht en slechts enkele in de bijenkast zelf. Dit zou te maken hebben met het vluchtgedrag van de koningin. Diegenen die dadelijk op de vliegplank landen na de paringsvlucht worden doorgaans gewoon binnen gelaten. Diegenen die eerst nog wat rondzweven rond de kasten zoals ook hoornaars en roofbijen dat doen, werden vaak door de werksters geïntercepteerd.
Een koningin wordt door haar werksters herkend aan de feromonen die ze afscheidt.
Jonge, maagdelijke, koninginnen die weinig van de stof produceren en direct in een kolonie worden geïntroduceerd, worden zelden ingebald, maar koninginnen die tien dagen of ouder zijn, worden bijna elke keer ingebald.
Bron : Sciendo, Vl 62 N°2, 2018, Balling behavior of workers toward honey bee queens returning from mating flights, Dariusz Gerula, Beata Panasiuk, Malgorzata Bienkowska, Pawel Wegrzynowicz