In theorie bestaat een bijenvolk uit enkele tienduizenden afstammelingen van de koningin. Elke bij die geboren wordt in het volk, draagt haar ganse leven bij tot het welzijn van haar zusters en halfbroers. Zoals zo vaak wijkt de praktijk wel eens af van de theorie: veel bijen zullen in de loop van hun leven verkassen naar een ander volk, doorgaans omdat ze per ongeluk de verkeerde kast invliegen. Dit noemen we het vervliegen.

Al van in de jaren '60 werden verschillende studies uitgevoerd om dit vervliegen in kaart te brengen. Dat maakt dat we ondertussen een vrij goed zicht hebben over de factoren die dit fenomeen beïnvloeden.

De leeftijd van de werksters
De meeste vervliegers zijn jonge bijen die zich nog aan het invliegen zijn. Eens ze gevestigde foerageerders zijn geworden, vervliegen ze veel minder vaak.
De bijen die geboren worden in het voorjaar blijken ook veel meer te vervliegen dan deze die geboren worden vanaf augustus.

De plaatsing van de kasten
Als bijenkasten opgesteld staan in rijen, gaan de bijen van de middelste kasten meer vervliegen dan deze van de buitenste kasten in de rij, waardoor de volken van de buitenste kasten dus geleidelijk aan groeien. In de zomer blijkt maar liefst 25 tot 45% van de aanwezige bijen in een volk er niet in geboren te zijn! In de herfst is dit 15 tot 35%.
Wil je het vervliegen beperken, dan kan je best ingrijpen op de oriëntatie van de vliegopeningen. Staan deze gericht naar verschillende windrichtingen, dan zal je veel minder vervliegen waarnemen. Uit meerdere studies bleek dat de oriëntatie van de vliegopening de meest bepalende factor is voor het vervliegen.
Een andere belangrijke factor is het bestaan van een windbreker in de directe buurt van de kasten. Is die aanwezig, dan is er veel minder vervliegen.
Staan de kasten op een steile helling, dan heb je minder vervliegen t.o.v. kasten die op een vlak terrein staan.

De kleur van de kasten
Bijen blijken zich vooral te oriënteren op de kleuren vlak onder en vlak boven de vliegopening (tot en met het onderste hoogsel). De kleur van de vliegplank is significant belangrijker dan de kleur van het hoogsel.
Er werd trouwens vastgesteld dat het plaatsen van symbolen boven de vliegopening de bijen ook helpt om zich te oriënteren (en dus minder te vervliegen).
Naast de kleur van de vliegplanken, blijken de bijen ook (in mindere mate) te kijken naar de plaatsing van de vliegopening t.o.v. de grond en naar de hoogte van de kast. De grootte van de vliegopening heeft wel geen impact.

Het vervliegen van darren en koninginnen
Darren zijn de meesters van het vervliegen. De meesten onder hen vervliegen al als ze 6 tot 7 dagen oud zijn en tegen dat ze de leeftijd van 15 dagen hebben bereikt, heeft de helft onder hen al een andere kast opgezocht. Toch is het niet zo dat ze continu van kast veranderen. Slechts één op de vijf darren vervliegt meer dan één keer. Ze vervliegen daarmee wel 2 tot 3 keer meer dan de werksters.
Ook koninginnen vervliegen al eens tijdens de bruidsvlucht. Dit is vooral het geval als alle kasten op een rijtje zijn opgesteld en er geen opmerkelijke elementen in het landschap aanwezig zijn waarop de koninginnen zich kunnen oriënteren om de eigen kast terug te vinden. Er werd al aangetoond dat de grootte van het volk geen impact heeft op het vervliegen van de koninginnen, noch het ras of de ondersoort van de volken.

 

Als een bij dan al is vervlogen, welke invloed heeft dat dan? Voor de bij zelf is er eigenlijk geen verschil. De te verwachten levensduur van een vervlogen bij is dezelfde als deze van de bij die niet vervliegt. Er is dus m.a.w. een grote tolerantie ten opzichte van de vervliegende bijen. Het is ook niet zo dat een vervlogen werkster meer geneigd zou zijn eitjes te beginnen leggen (door de afwezigheid van het feromoon van haar moeder). Het feromoon van de nieuwe koningin onderdrukt evenzeer de eileg.

Hoe belangrijk is het vervliegen voor ons?
Als imker gebruiken we het feit dat bijen terugkeren naar de plaats waarop ze zich oriënteerden voor het maken van vegers en vliegers. We forceren dan als het ware het vervliegproces om volken te versterken.
Als we geen dergelijke ingrepen doen, dien je het vervliegen toch in het achterhoofd te hebben voor het geval één van je kasten een ziektebeeld vertoont en bij het monitoren van de varroa. Heb je een kast met meer varroa-besmetting dan de anderen, dan zal het vervliegen ervoor zorgen dat de besmetting snel overspringt naar de andere kasten. Het is dan ook van groot belang dat je al je kasten evengoed opvolgt en verzorgt.
Het vervliegen is een fenomeen dat zich vooral voltrekt bij kasten die op minder dan 150m van elkaar staan opgesteld. Vanaf die afstand is het vervliegpercentage verwaarloosbaar.

Bron: A Closer Look, Drifting of Bees, Clarence Collison, Beeculture, Januari 2026, pag 15 ev

Sorry, this website uses features that your browser doesn’t support. Upgrade to a newer version of Firefox, Chrome, Safari, or Edge and you’ll be all set.