• Slogan: Alles over honing op één plaats

Historiek document

01 april 2026 publicatie eerste versie

 

Inhoudstabel

Voorwoord

1. Van nectar tot honing
   1.1. Oogst van de grondstoffen
   1.2. De samenstelling van nectar
   1.3. Tijdstip waarop de planten hun nectar aanbieden
   1.4. De transformatie van nectar tot honing
   1.5. De definitie van honing
   1.6. Waarom maken honingbijen honing aan?

2. Het oogsten van honing
   2.1. Het afnemen van de honing
   2.2. Op naar het slingerlokaal
   2.3. Het ontzegelen van de ramen
   2.4. Het slingeren van de ramen
   2.5. Het rijpen van de honing
   2.6. Vloeibare of smeerbare honing

3. De verkoop van honing
   3.1. Soorten honingen
   3.2. De verpakking
   3.3. Wat meer over het kristalliseren van honing
   3.4. Wat als er iets misloopt met de honing?
   3.5. De prijs van honing

4. Honing, een magisch produkt ! ?
   4.1. De consumptie van honing door de mens
   4.2. Giftige honingen
   4.3. Botulisme
   4.4. 'Geneeskrachtige eigenschappen' van honin
   4.5. Honing en brandwonden

5. Fraude van honing
   5.1. Wetenschappelijke bepaling van de leeftijd van honing

Voorwoord

Woon je als imker in een goed drachtgebied, dan kan je twee of zelfs meer keer per jaar honing oogsten. We behandelen dit product met zorg, potten het in, en verkopen het of geven het cadeau aan kennissen en vrienden.
Het is voor velen één van de belangrijkste aspecten van het imkeren. Maar wat weten we eigenlijk van honing?
Dit dossier probeert de belangrijkste informatie te verzamelen. Het is een mengeling van de resultaten van wetenschappelijke studies, ervaringen van imkers en ‘overleveringen’.

Zoals de andere dossiers die in deze reeks zullen verschijnen, is het de bedoeling dat dit een levend document is. Het zal dus regelmatig aangevuld worden met de nieuwste inzichten inzake de materie.
Heb je bedenkingen, opmerkingen of aanvullingen voor dit dossier, dan mag je deze altijd overmaken aan IBB vzw.

1. Van nectar tot honing

1.1. Oogst van de grondstoffen

De bloemen en de bijen hebben een evolutie gekend die in grote lijnen nauw samenloopt. In het prille begin (zowat 40 miljoen jaar geleden) waren zowel de bloemen als de bijen heel klein (enkele millimeter groot). De eersten dienden te betrouwen op de bestuiving via de wind, wat regelmatig tot mislukking leidde. Vanaf het ogenblik dat de bijen zich afscheurden van hun vleesetende voorouders (die zich verder evolueerden tot de wespen) en overstapten naar een vegetarisch dieet, kwam er een samenwerking tot stand met de bloemen. Er ontstonden steeds meer bloemensoorten en deze werden als maar groter. Daardoor konden de bijen ook groter en groter worden.
Met dat er meer en meer bloemen waren, dienden deze een tactiek te bedenken om de insecten op het juiste moment tot bij hen te lokken. Ze presenteerden zich op hun best mogelijke manier (door gebruik te maken van verschillende kleuren) en begonnen een zoete vloeistof, het floëemsap af te scheiden via de nectariën (waardoor we het dan ‘nectar’ noemen). De insecten zijn dol op dit zoete vocht.
Nectariën zijn nectarkleppen die zich meestal bevinden in de bloem, vlakbij de stamper en de meeldraden. In sommige gevallen zien we dat de nectariën zich buiten de bloem bevinden. Dan noemen we dit extraflorale nectariën. Een mooi voorbeeld hiervan is de paplaurier waarbij de nectariën zich bevinden aan de onderkant van de bladeren.
Om de nectar te verzamelen uit de florale nectariën, moet de bij zich wat murwen langs de meeldraden en de stamper. Daarbij zal er vaak een beetje stuifmeel blijven plakken tussen de haren. Vermits de meeste bijen bloemvast zijn, is de kans heel groot dat de volgende bezochte bloem er eentje is van dezelfde soort. Daar kan dan de bestuiving gebeuren doordat de bij zich langs de stamper wringt tot aan de nectariën en er alzo een paar pollen van tussen de haren op die stamper terechtkomen.
Als de nectar heel vloeibaar is, zal de bij deze gaan opzuigen. Is de nectar wat dikker van consistentie (omdat er meer suikers inzitten), dan zal de bij deze gaan ‘oplepelen’. Aan het uiteinde van de tong van de bij zit er een uitsteekseltje dat ze hiervoor kunnen gebruiken.

In het hierboven beschreven systeem, spreken we duidelijk van een win-win situatie. De bloemen worden bestoven en de bijen kunnen de suikerrijke en dus ook energierijke nectar verzamelen.

Er is ook nog een tweede belangrijke bron van ‘nectar’. Dit is de honingdauw. In dit geval zien we dat de plant het floëemsap niet aanbiedt, maar dat bladluizen en snuitkevertjes de plant gaan kwetsen om dat sap te gaan oogsten. Ze gaan hierbij gaatjes priemen in de stengel en het blad van planten met hun stekende, zuigende monddelen. Ze kunnen dit vrij makkelijk doen omdat ze eerst wat speeksel met pectinase op de plant smeren. Hierdoor wordt de plant als het ware een beetje plaatselijk ‘opgelost’. Eens ze zich een opening kunnen forceren hebben in de plant, gaan ze met hun snuit dieper en dieper graven totdat ze aan de sapstroom komen. Wat er dan gebeurt, kan je vergelijken met een boortoren die we gebruiken om naar olie te boren: het sap komt als het ware naar boven gespoten aan hoge druk en aan een continu debiet. De luizen gaan een aantal voedingsstoffen uit het sap filteren (aminozuren en stikstof) en scheiden het restant, dat nog zeer zoet is, terug uit. Het sap komt echter tegen een dergelijke druk en debiet naar boven, dat de luizen zouden ontploffen moesten ze alle sap proberen te verwerken. De oplossing bestaat er dan uit van het sap gewoon door het lichaam te laten stromen, zonder er iets mee te doen, en het snel terug af te scheiden. Dit sap zal zich dan in druppeltjes vormen op de bladeren en als er teveel sap aanwezig is, valt het naar beneden. Je hebt misschien al wel auto’s onder een boom of struik zien staan die volledig bedekt zijn met dit plakkerig goedje.
Voor de bijen is de honingdauw een zeer gemakkelijke bron van nectar. Eigenlijk moeten ze gewoon hun monddelen op het blad van de plant leggen en ze kunnen dadelijk beginnen met het opzuigen van de nectar: geen gewriemel tussen de delen van een bloem dus. Als er een periode geweest is van goed, droog, weer (waarbij de bladluizen floreren), kunnen de bijen op één week tijd tot maar liefst 20 kg honing aanmaken van honingdauw ! Bij de eerstvolgende regenbui, wordt de honingdauw van de bladeren gespoeld en is deze nectarbron dan ook weg.

Ook de mieren hebben door dat het goedje dat de bladluizen afscheiden een zeer interessante bron van energie is. Deze insecten gaan nog een stapje verder: ze hebben geleerd dat ze een samenwerking kunnen aangaan met de bladluizen: de luizen boren het plantensap aan en scheiden een deel ervan af dat de mieren kunnen verzamelen, terwijl de mieren als wederdienst de luizen beschermen tegen hun vijanden (vb de lieveheersbeestjes). Als de mieren vinden dat de luizen te weinig sap afscheiden ‘ter vergoeding van de bewakingsdiensten’, gaan ze wrijven tegen de luizen. Deze laatsten worden alzo gestimuleerd om meer plantensap af te scheiden. Dit gedrag noemen we het ‘melken’ van de bladluizen door de mieren.
Er is dus wel degelijk een verschil tussen nectar, die rechtstreeks door de bijen geoogst wordt uit de nectariën van de plant, en honingdauw dat eigenlijk hetzelfde plantensap is dat eerst door het lichaam van een bladluis ging en waaruit een paar aminozuren en stikstof werden verwijderd (en ook een beetje enzymen door de bladluizen werden toegevoegd).
Maar dat de nectar nu rechtstreeks vanuit de nectariën komt, of wordt afgescheiden door een kevertje of bladluis, de verwerking ervan door de bijen gebeurt op dezelfde manier. Hoe dat dit gebeurt, zullen we in een volgende paragraaf bespreken.

1.2. De samenstelling van nectar

We haalden reeds aan dat de insecten de nectar verzamelen omdat het een zoet goedje is. Het zit dus logischerwijze vol suikers. Toch worden heel grote verschillen opgemeten tussen de nectars van verschillende planten. Sommige nectars bevatten slechts 5% suikers, terwijl andere tot ongeveer 60% suiker kunnen gaan.

De tabel hieronder herneemt een aantal gemeten suikerpercentages in de nectar van verschillende plantensoorten (bron: Handbuch der Bienenkunde 6. Der Honig, E. Zander en A.Maurizio (1975)):

Pruimenboom 12.9 %
Appelboom 21.3 %
Linde 29.5 %
Kersenboom 35.1 %
Dovenetel 42.4 %
Koolzaad 45.1 %
Braambessen > 40 %
Frambozen > 40 %
Ramenas 55 %
Bernagie 59 %

De wetenschappers hebben intussen opgemerkt dat nectar met minder dan 10% suiker door bijen genegeerd wordt. Hoe meer suiker er aanwezig is in een nectar, hoe meer interessant deze nectar wordt voor de bijen.

We kunnen nu die suikers eens wat beter gaan bekijken.
Glucose (of druivensuiker) en fructose (of vruchtensuiker) zijn enkelvoudige, vlug verteerbare suikers. Enkelvoudige suikers noemt men ook mono-sachariden. (Als men spreekt over invertsuikers, dan spreekt men over een mengeling van enkelvoudige suikers).
Sacharose (biet- of rietsuiker) is wat we noemen een dubbele suiker, die opgebouwd is uit glucose en fructose. De dubbele suikers noemt men ook de di-sachariden.
Als we nu naar de nectar gaan kijken van de verschillende planten, dan zien we dat sommige planten overwegend sacharose (of di-sachariden) aanleveren. Anderen gaan dan weer hoofdzakelijk mono-sachariden bevatten. De meeste planten bevatten echter een mengeling van mono- en di-sachariden.
De bijen blijken een voorkeur te hebben voor die planten die een evenwaardig deel sacharose, glucose en fructose aanbieden.
De onderstaande tabel geeft een overzicht van de suikersamenstelling van de nectar van enkele plantensoorten:

% sacharose % glucose % fructose
Gele mosterd 0 53.6 46.3
Koolzaad 2.1 54.6 43.3
Peer 3.9 54.8 41.3
Klimop 13 80.7 6.3
Braam 28 37.9 33.9
Rode klaver 62.8 10.1 27.1
Witte klaver 70.3 16.4 13.3
Linde 73.7 13.7 12.6
Salie 76.5 4.9 18.5
Alpenroos 100 0 0

Naast water en suikers vinden we ook een zeer klein gedeelte mineralen terug in de nectar.

 

1.3. Tijdstip waarop de planten hun nectar aanbieden

Planten gaan meer of minder nectar aanmaken en dus ook aanbieden op verschillende tijdstippen van de dag.
De meeste planten bieden een eerste topproductie aan tussen zonsopgang en 10 uur ’s morgens en een tweede vanaf 18 u tot zonsondergang. Er wordt minder nectar aangeboden tussen 10u en 18u, maar die nectar is dan weer meer geconcentreerd, en dus ook interessant voor de insecten.
Men heeft ook al vastgesteld dat de verschillende plantensoorten hun nectar niet allemaal tegelijkertijd aanbieden. Door je topproductie aan nectar wat later aan te bieden dan je buur, verzeker je jezelf van een goed insectenbezoek op het ogenblik dat je buurman wat van zijn pluimen aan het verliezen is, ook al is jouw nectar misschien niet zo interessant (minder zoet) als die van de buur.
We weten ook al dat het weer een grote rol speelt bij de nectarproductie. Zo zullen de planten bij aanhoudend droog en warm weer minder nectar gaan aanbieden, maar die nectar zal dan wel weer meer suikers bevatten.
De planten doen dus al het mogelijke om interessant te blijven voor de insecten die hen kunnen bestuiven. En ja, ze blijken dus wel degelijk een soort bewustzijn te hebben over welke planten er zich rond hen bevinden.

1.4. De transformatie van nectar tot honing

In de eerste paragraaf zagen we dat de honingbijen nectar gaan verzamelen in de nectariën van de planten of dat ze de honingdauw gaan oogsten die door bladluizen wordt afgescheiden. Eens de nectar of honingdauw is opgenomen, komt deze terecht in de lange slokdarm. Op het einde van deze slokdarm bevindt er zich een soort verdikking, die kan uitzetten en krimpen als een ballonnetje. Vroeger noemde men deze verdikking de honingmaag. Intussen heeft men door dat dit geen verteringsorgaan is, en heeft men de benaming verbeterd naar honingblaas.
Langs de slokdarm liggen verschillende klieren (o.a. voedersapklieren en mandibulaire klieren) van waaruit ‘speeksel’ wordt toegevoegd aan de nectar die door de slokdarm stroomt. Het gaat hier over heel kleine hoeveelheden speeksel waarin enzymen zitten. Dit zijn chemische stoffen die als eigenschap hebben dat ze in heel kleine hoeveelheden een zeer grote impact kunnen hebben op chemische processen of deze processen tot stand kunnen brengen.
Een honingbij kan trouwens bijna haar eigen gewicht aan nectar meebrengen naar het nest. Als ze tijdens het foerageren op de bloemen nood heeft aan directe energie, kan ze een klepje in de honingblaas openen waardoor er een klein beetje nectar uit die honingblaas dadelijk doorstroomt tot in haar spijsverteringssysteem.
Tijdens de vlucht zal de haalbij de nectar uit de honingblaas terugbrengen naar de tong. Daar zal ze de nectar als het ware uitrekken, waardoor het erin aanwezige water snel kan verdampen. Metingen hebben al aangetoond dat tot 20% van het vocht nog in de vlucht (waarschijnlijk ook mede door de luchtverplaatsingen) aan de nectar wordt onttrokken.

Onze haalbij die net een druppeltje nectar verzamelde en dit naar het volk bracht, wil zo snel mogelijk terug vertrekken om nieuwe nectar te gaan inslaan. Ze zal haar kostbare vracht dan ook doorgeven aan een jongere huisbij.
De eerste fase van de rijping van de honing start als de huisbij de druppel nectar ontvangt. Als de dracht niet te sterk is, zal die huisbij zich een beetje afzonderen in een hoekje van het nest. Gedurende ongeveer een kwartier tot twintig minuten zal deze de druppel nectar verder gaan bewerken door deze vanuit de honingblaas naar de monddelen te brengen en hier te gaan ‘trekken’ aan die druppel. Er zal hierbij weer een gedeelte water verdampen. Vervolgens geeft ze de druppel door aan een andere huisbij die deze werken herhaalt. Telkens wordt de druppel dus tot in de honingblaas gebracht en weer naar boven getrokken. Elke keer worden er dan ook wat extra enzymen toegevoegd aan de druppel en wordt de druppel ook vaster en vaster.
Studies toonden reeds aan dat een druppel nectar wel door tot 100 verschillende huisbijen kan ‘bewerkt’ worden vooraleer ze in de raat wordt opgeslagen. Het uitdrijven van het water gaat ook ’s nachts door waarbij ook de haalbijen meedoen aan dit werkje (bijen slapen immers niet echt).

Naast het uitrekken van de druppels nectar, gaan de bijen ook zorgen voor een goede ventilatie in het nest zodat droge lucht van buiten naar binnen wordt getrokken en de vochtige lucht uit het nest wordt gedreven. Op een dag kan een kast tot 2 kg en meer toenemen in gewicht, maar ’s nachts kan de kast evenveel gewicht weer verliezen door de verdamping van het water.

In een tweede fase gaan de bijen de druppel nectar deponeren in een cel. Als er genoeg plaats is in de raat, zullen ze de druppel in een dunne laag uitsmeren tegen de celwanden. Hierdoor bekomen ze weer een groot contactoppervlak met de lucht, waardoor een verdere verdamping van het aanwezige water verzekerd wordt. De druppels nectar zullen meestal opgeslagen worden in de buurt van het broed omdat het daar het warmst is in het nest.
Eens in de cel gedeponeerd, ziet men dat het proces van de verdamping doorgaat. Bijen die de cel passeren en vinden dat er nog teveel vocht inzit, zuigen de nectar op en trekken aan de moleculen op hun tong om de verdamping te laten plaatsvinden. Als de temperatuur in de kast hoog is, zullen bijen ook wapperen met hun vleugels voor de cellen om een luchtstroom te genereren die de verdamping verder kan stimuleren.
Hoelang duurt het dan om van drie druppels nectar één druppel honing te maken (jazeker, er is een volumeverlies van drie op één in rekening te nemen)? Wel er zijn verschillende factoren die hierbij een rol spelen. De belangrijkste factor is de hoeveelheid nectar die in een cel gedeponeerd wordt. Worden de cellen voor 25% gevuld, dan zal de nectar na 1 tot 2 dagen al ingedikt zijn. Is de cel echter voor 75% gevuld, dan kan het indikkingsproces al gauw 4 tot 5 dagen duren. Plastisch kan je je dit voorstellen als het moeten laten verdampen van 10 liter water. Doe je het water in één emmer, dan zal het maanden duren vooraleer al het water uit die emmer verdampt is. Verspreid je het water over 10 emmers, dan creëer je meer contact tussen het water en de lucht en zal de verdamping veel sneller verlopen.

De bijen gaan door met het indikken van de nectar totdat deze nog maar 20% of minder vocht bevat. Op de één of andere manier hebben deze intelligente insecten ontdekt dat schimmels en gisten geen kans maken als er minder dan 20% vocht aanwezig is in de nectar, waardoor de nectar, die we vanaf nu honing kunnen noemen, lang kan bewaren.
Naast de vulgraad van de cellen is ook een goede luchtstroom van groot belang in het rijpingsproces. Tijdens een goede drachtperiode zal de imker er dan ook best voor zorgen dat er genoeg luchtstromen in de kast kunnen ontstaan (door de bodem open te zetten of de vliegopening te vergroten. Door deze kleine ingreep, zullen de bijen de nectar sneller kunnen omzetten in honing.

Het verschil tussen ingedikt plantensap en honing wordt gevormd door de verschillende enzymen die de bijen toevoegen. Eén van die enzymen is invertase. Dit enzyme zorgt ervoor dat de aanwezige dubbele suikers ontbonden worden tot de mono-sachariden glucose en fructose.
Eens de honing rijp is (dus minder dan 20% water bevat), gaan de bijen deze verhuizen naar de zogenoemde honingcellen (het liefst in de honingzolder). Eens deze cellen gevuld, gaan de bijen hierover een wasdekseltje aanbrengen. Dat wasdekseltje zorgt ervoor dat de honing geen vocht aan kan trekken en aldus lang bewaard kan worden. Dit is de meest pure, nieuw aangemaakte, was (houd die apart om goede, gezonde was zonder pesticiden te hebben als basis voor je raten).

Als we het rijpingsproces nu even vanop een afstand bekijken, zien we twee verschillende zaken gebeuren. Een eerste bevindt zich op het fysische niveau waarbij de bijen actief het water uit de nectar gaan verwijderen. Een tweede ding gebeurt op het chemische niveau waarbij één van de enzymen die de bijen toevoegen aan de nectar, de invertase, ervoor zorgt dat de sucrose wordt omgezet in glucose en fructose. Dit chemische proces blijft ook langzaam doorgaan na het verzegelen van de cellen.

1.5. De definitie van honing

Nu we weten hoe honing gemaakt wordt door de bijen, is het het moment om even te kijken naar de definitie van honing zoals die in de Richtlijn van de Raad 2001/110/EG van de Europese Unie is opgenomen.
De definitie luidt als volgt:
Honing is een natuurlijke, zoete stof die door de bijensoort Apis mellifera wordt bereid uit bloemennectar, afscheidingsproducten van levende plantendelen of uitscheidingsproducten van plantensapzuigende insecten op de planten. Deze stof wordt door de bijen vergaard, verwerkt door vermenging met eigen specifieke stoffen, gedeponeerd, gedehydreerd, en in de honingraten opgeslagen en achtergelaten om te rijpen.

Op het eerste zicht lijkt deze definitie alle elementen te bevatten die in de vorige paragrafen aan bod kwamen en dus volledig te zijn. Toch maken we hierbij een paar bedenkingen.
Een eerste bedenking gaat over de eerste zin waarin men enkel spreekt over de Apis mellifera of de Europese honingbij. De vraag die men dan terecht kan stellen is of de honing die aangemaakt wordt door Apis Dorsata, Apis Cerena of Apis Florea om er maar een paar te noemen dan geen honing is. Hier blijkt de definitie toch wel te kort te schieten omdat er in totaal 9 of 10 (afhankelijk van de bron) honingbijensoorten zijn.
De eerste zin verwijst wel correct naar de nectariën (floraal en extrafloraal) en de honingdauw als bronnen.
In de tweede zin van de definitie stelt men dat de bijen de grondstoffen moeten verzamelen, ze er stoffen (enzymen) aan toevoegen, en dat ze de nectar dan bewerken (ontwateren) alvorens deze op te slaan in de raat. Als laatste aspect haalt de definitie aan dat de honing moet achtergelaten worden om te rijpen. Er wordt hier wel niet gezegd wanneer het rijpingsproces ten einde is. Is nectar die men 5 minuten laat rijpen dan honing?
Het mag duidelijk zijn dat de definitie in grote lijnen correct is, maar toch nog wel wat verfijnd zou mogen worden (vooral om fraude tegen te gaan).

1.6. Waarom maken honingbijen honing aan?

Om te begrijpen waarom honingbijen honing maken, moeten we de verschillende overwinteringsstrategieën van insecten gaan bekijken.
Een eerste strategie vinden we terug bij de solitaire bijen. In de winterperiode zijn er geen solitaire bijen. Zowel de mannelijke als de vrouwelijke exemplaren worden in het voorjaar geboren uit eitjes die de winter doorstonden. Er zal een bevruchting plaatsvinden, waarna de vrouwelijke bijen nieuwe eitjes gaan afzetten. Ze doen dit in kleine kamertjes, waarbij ze naast het eitje een beetje stuifmeel en nectar afzetten. Tegen de winter sterven alle individuen af. Hier is alle hoop dus gevestigd op het overwinteren van de eitjes.

Een tweede strategie zien we bij een aantal kevertjes terugkomen. Hier worden de eitjes afgezet door de vrouwelijke exemplaren en hieruit wordt in hetzelfde jaar nog een larve geboren. Deze larve gaat zich diep in de grond vestigen om zich aldaar te voeden en zich heel langzaam aan te ontwikkelen tot een volwassen exemplaar. Deze transformatie kan zelfs verschillende jaren in beslag nemen. In de meeste gevallen zullen de insecten na hun overwintering in de grond,naar de oppervlakte komen, waarna de cyclus zich kan herhalen. Hier is alle hoop dus gevestigd op het overwinteren van de larven.

Een derde strategie zien we bij de hommels, de wespen en de hoornaars. Bij deze insecten worden er in de herfst darren en vele koninginnen geboren. De bevruchting vindt plaats, waarna alle exemplaren met uitzondering van de koninginnen afsterven. De koninginnen proberen te overwinteren op een beschermde plaats en proberen vervolgens in de lente een nieuw nest op te starten. Hier is alle hoop dus gevestigd op het overwinteren van de koninginnen.

In de vorige drie strategieën, is er steeds een relatief groot risico aanwezig voor de eitjes, larven en koninginnen. Een zeer strenge winter, overstromingen, aardbevingen, stormen, etc. kunnen veel schade toebrengen.

De honingbij heeft geopteerd voor een vierde strategie die minder onderhevig is aan de grillen van de natuur: ze proberen als volk de winter te overleven. De eileg van de koningin valt stil in de winterperiode, waardoor de werksters de vetreserve niet aan moeten spreken en ze langer kunnen leven (tot wel 6 maand). Vanaf het ogenblik dat de temperatuur zakt onder de 10°C, gaan de werksters zich dicht tegen elkaar drukken om een cluster (ook wintertros genoemd) te vormen. De koningin zal zich midden in deze cluster bevinden, waardoor ze het best beschermd is. De temperatuur binnen in de cluster wordt steeds hoog gehouden, terwijl het aan de buitenste schil ervan vaak maar net iets boven de 10° zal zijn. Om met vele individuen een strenge winter te kunnen overleven en tegelijk de temperatuur in de cluster hoog te houden, is er een energiebron nodig. En dat is dan de reden waarom de honingbijen honing aanmaken: dit suikergoedje is de energiebron die hun krachttoer van het samen overwinteren mogelijk maakt.
De honingbij is trouwens het enige gekende dier dat honing aanmaakt.

 

2. Het oogsten van honing

2.1. Het afnemen van de honing

Tot het einde van de 19de eeuw werkten alle imkers met bijenkorven. Rond eind mei en rond 21 juli ging de imker zijn korven één voor één voorzichtig opheffen om het gewicht ervan in te kunnen schatten. De korf die het meeste woog bevatte de meeste honing. De imker ging vervolgens zwavelstokjes halen en stak die aan onder de korf. De giftige dampen zorgden ervoor dat alle bijen in de korf een snelle dood stierven, waarna de imker de raat kon wegsnijden uit de korf. Het staat buiten kijf dat dit niet echt een ideale methode was: niet alleen was het een zeer kleverige bedoening, maar de imker besefte ook dat hij telkens zijn sterkste volken naar de eeuwige jachtvelden stuurde.
De raat werd vervolgens goed bekeken en alle honingraat werd mooi weggesneden en in een ratenpers ingebracht. De raat met broed en stuifmeel werd aan de kippen gegeven (sommigen aten het stuifmeel zelf op). De ratenpers was een apparaat dat de raat in een rolbeweging samendrukte, zodat de erin aanwezige honing naar buiten werd geduwd en naar beneden stroomde in een opvangbak.

Intussen zijn we in de 21ste eeuw aangekomen en wordt er niet vaak meer geïmkerd met korven. Bijna alle imkers zijn overgeschakeld op bijenkasten. Deze hebben het voordeel dat je als imker de voor de bijen beschikbare ruimte flexibel kan aanpassen door ramen weg te nemen of toe te voegen. Je kan een aparte honingkamer aanbieden waar de koningin niet in kan komen, zodat je geen broed kan hebben in je honingraten.
Als je nu de honing wenst te oogsten, dien je geen bijenvolk meer af te zwavelen. Je kan gewoonweg de honingkamer verwijderen, terwijl de koningin met haar volk in de broedkamer(s) kan blijven doorwerken.

Als je geen schikkingen treft, zal die honingkamer wel goed gevuld zijn met jonge bijen die de honingvoorraad verzorgen. Het is natuurlijk niet zo prettig voor die bijen als je de honingzolder komt verwijderen, waardoor ze nogal geprikkeld kunnen zijn.
Als je rustige bijen hebt, kan je elk raam één voor één vastnemen en de bijen er voorzichtig afvegen met een speciale borstel (of beter nog met een pluim). Dat is wel een werkje waar je wat geduld moet voor hebben omdat er wel altijd wat bijen zich verstoppen tussen de gaten in de raat. Vanaf het ogenblik dat een raat bijenvrij is, kan je ze wegbergen in een doos die je met een deksel luchtdicht kan afsluiten. Na het bijenvrij maken van de volgende raat is het dan een kwestie om snel het deksel van de doos te openen, de nieuwe raat erin toe te voegen, om het deksel dan snel terug te sluiten. Af en toe zal er wel een bij mee terug in de doos glippen, zodat je het bijenvrij maken van de raten best nog even kan herhalen net vooraleer je het slingerlokaal binnengaat.
In de praktijk blijken voor Simplexramen de plastic boxen van ‘really useful box’ ideaal te zijn voor het wegbergen van de bijenvrije raten omdat deze al een legvlak hebben om de oren van de ramen op te leggen.

Een aanrader is evenwel om te werken met een bijenuitlaat. Je plaatst deze in een (meestal houten) afdekplank. Er bestaan verschillende systemen bijenuitlaten, maar ze hebben allen dezelfde eigenschap: de bijen kunnen er slechts in één richting doorlopen. Je kan de afdekplank dan onder de te oogsten honingzolder leggen. De bijen die door de uitlaat gaan van de honingzolder naar de broedkamer (of eventueel een andere honingzolder met nog niet rijpe honing) kunnen niet meer terug naar boven, waardoor de honingzolder langzaamaan bijenvrij wordt. Plaats je de bijenuitlaat één of twee dagen voor de honingoogstdag, dan zal je nog maar een paar tientallen bijen in de honingzolder overhebben.
De beroepsimkers die honderden tot duizenden kasten moeten bekijken om de honing te oogsten, gaan zich niet bezig houden met het plaatsen van bijenuitlaten. Zij werken met een bijendrijver. Je kan je dit voorstellen als een soort bladblazer: de honingzolder wordt 90 graden gedraaid en met de bijendrijver wordt er lucht geblazen tussen de ramen van die honingzolder. De bijen die op de raten zitten vliegen wel tot 5 meter ver door deze luchtstroom, waardoor de honingzolder op enkele seconden bijenvrij is. Dat de bijen dit leuk vinden is natuurlijk een andere vraag.

Om welk uur je de uitlaat plaatst, heeft niet zo veel belang. Wanneer je de honingraten wegneemt echter wel. Doe dit steeds zo vroeg mogelijk op de dag. Dat maakt dat er nog maar weinig foerageerders actief zijn en er op die manier nog niet veel verse nectar in het nest kan binnengedragen zijn (vooral van belang als je zonder bijenuitlaat werkt, want die nectar kan opgeslagen worden in raten waar goede honing in zit). Als je vroeg begint aan de honingoogst, zijn er ook nog niet veel rovers op pad (bijen van een ander volk die het oog laten vallen op de honing van je volk). Het enige waar je een beetje moet op letten is dat de temperatuur niet te laag is. Vermits wij oogsten rond eind mei en rond half juli, is dat voor onze streken niet echt een factor waar je veel rekening moet mee houden. Probeer er wel voor te zorgen dat je de ramen niet laat afkoelen en ze dus zo snel mogelijk slingert. Dat maakt het werk een stuk eenvoudiger. Als alternatief kan je de ramen tijdelijk onderbrengen in een verwarmde ruimte (minstens 25°C)

De echte vraag die dan overblijft is wanneer de honing oogstbaar is.
Als eerste punt kan je hier naar je bijen kijken. Zolang de drachtperiode aanhoudt, zal je de bijen fanatiek in en uit de kast zien vliegen. Ze lijken wel een autosnelweg aangelegd te hebben die ze aan hoge vliegsnelheden volgen. Ze lijken zich weg te katapulteren van uit de kast en ook als ze terugkomen, haasten ze zich om de kast binnen te stappen. Na de lentedracht (als de appels uitgebloeid zijn) en na de zomerdracht (als de linde en tamme kastanje uitgebloeid zijn), zal je merken dat de bijen er als het ware de riem afleggen. Ze vliegen nog wel in en uit, maar die autostrade, die valt weg. Dat is telkens het moment om de honingzolders na te kijken. Wacht alleszins niet te lang met deze controle bij de zomerdracht. Hier is het immers heel belangrijk dat je zo snel mogelijk oogst, zodat je ook dadelijk kan starten met de varroabehandeling. Vroeger mikte men op 21 juli om de zomeroogst binnen te halen, vandaag mikken we eerder op 5 tot 7 juli.

Een kalender kan echter nooit meer zijn dan een eenvoudige indicatie om de honing te oogsten. Bekijk dus vooral de dracht en het gedrag van je bijen. Eens je denkt dat de dracht voorbij is, ga je de honingzolder nakijken. In de regel gaan de bijen de honing verzegelen vanaf het ogenblik dat die rijp is. Van deze verzegelde honing mag je uitgaan dat die wel oké zal zijn, ook al is het nooit fout om ook deze ramen na te kijken met de refractometer. Indien de ramen echter niet verzegeld zijn, wil dat nog niet zeggen dat de honing niet rijp zou zijn. Het gebeurt regelmatig dat de bijen de rijpe honing niet dadelijk verzegelen. Indien je denkt dat de honing rijp is, ondanks de afwezigheid van een verzegeling, kan je de stootproef uitvoeren. Hierbij ga je een raam goed vastnemen met één hand, en ga je een goede tik geven op het raam met je andere hand. Zie je de nectar eruit spatten, dan mag je dit raam niet oogsten: de honing is dan nog niet rijp.
Er is een algemene imkerwijsheid die stelt dat je best enkel die ramen oogst die voor minstens twee derde verzegelde honing bevatten.
Besef dat zowel de kalender, de stootproef als de verzegelingsgraad enkel richtlijnen zijn die je een (vrij goed) idee geven over de rijpheid van de honing, maar dat er maar één manier is om zeker te weten dat je honing minder dan 20% water bevat: meten is weten. Die 20% water is de echte regel die je in acht moet nemen. Zit er meer dan 20% vocht in de honing, dan zal deze snel gaan gisten. Die kan je dan ook beter nog wat in de kast laten zitten.
Hoe weet je dan hoeveelheid vocht er nog in de honing zit? Dat doe je met een refractometer. Dit toestel dien je eerst te ijken en je meet dan het vochtgehalte in de honing bij een temperatuur van 20°C. Indien je lokaal warmer is dan 20°C, mag je 0.1% vochtgehalte aftrekken per graad Celcius dat je boven die 20° uitkomt. Is je lokaal kouder dan 20°C, ga je 0.1% vochtgehalte moeten bijtellen per graad Celcius dat je onder die 20° zit.

Nog enkele dingetjes waar je rekening moet mee houden bij de oogst van de honing:

  • Zorg ervoor dat er geen broed in de ramen zit die je wenst te slingeren. Larven in je honing is echt not done (plaats sowieso een koninginnenrooster 24 dagen voor de zomeroogst indien je met Simplex werkt, anders is de kans groot dat je koningin zich naar boven begeeft en eitjes legt in je honingzolder)
  • Slinger bij droog weer. Honing trekt vocht aan uit de lucht. Ga je de honing oogsten bij regenweer, dan zal je honing sowieso natter worden (en riskeren richting de 20% vocht te gaan)
  • Laat altijd wat honing achter in de kast, zeker in de lente. Als het weer immers omslaat na je honingoogst, kunnen de bijen in problemen komen door gebrek aan voedsel
  • Zet je honingramen nooit op de grond. De bacterie die botulisme veroorzaakt komt vrij frequent voor in de grond. Plaats je een raam op de grond, dan kan dit besmet worden en kan dit bij boorlingen (die nog geen darmflora ontwikkelden) dodelijk zijn. De meeste baby’s zullen een goede darmflora opbouwen vanaf de leeftijd van 6 maand, maar sommigen doen er wat langer over. Dat is de reden waarom we zeggen dat honing niet mag geconsumeerd worden door kinderen die jonger zijn dan 12 maand. Een goed idee is een leeg hoogsel bij te hebben waarin je de honingramen tijdelijk kan hangen.
  • Let op voor roverij bij de honingoogst, vooral bij de zomeroogst
  • Gebruik geen rook als je je honing gaat oogsten. De rook kan zich immers nestelen in de honing (rook gebruiken is trouwens niet echt een aanrader bij de gewone kastcontroles. Vanaf het ogenblik dat de buitentemperatuur 20° overstijgt, kan je best werken met een plantenspuit om de bijen te kalmeren. Die plantenspuit laat je ook aan de kant staan als je de honing gaat oogsten.

2.2. Op naar het slingerlokaal

Nu je de ramen bijenvrij hebt opgeslagen in je boxen, kan je deze naar je slingerlokaal brengen.
Er is een periode geweest waarin werd gesteld dat je een apart slingerlokaal diende te gebruiken voor de honingoogst. Slingeren van de honing in de keuken was toen eigenlijk niet toegestaan. Intussen heeft men door dat niet iedereen zomaar een apart slingerlokaal ter beschikking kan hebben en werden de regeltjes wat versoepeld.
Vandaag zegt men dat het toegestaan is van een lokaal (garage, keuken, achterkamer,…) tijdelijk te gebruiken als slingerlokaal. Er zijn echter wel een paar voorwaarden beschreven waaraan het lokaal moet voldoen. Je zal wel zien dat die voorwaarden gebaseerd zijn op puur boerenverstand en dus logisch zijn:

  • Het lokaal moet bijendicht afgesloten kunnen worden (als dat niet zo is, zal je snel bezoek krijgen van onze gevleugelde vriendinnen en zal het plezier van het slingeren je snel ontgaan
  • De vloer moet waterdicht zijn en moet geschrobd kunnen worden met warm water. Het is echt geen goed idee van te gaan slingeren in een lokaal met een aarden vloer.
  • Het slingerlokaal moet grondig gepoetst worden voor en na het slingeren en dat met warm water. Alle materiaal dat je gebruikt bij de honingoogst moet proper zijn
  • Indien je een oude slinger hebt, die je bovenaan niet kan afsluiten, moet je afwasbare muren hebben. Men gaat ervan uit dat je bij het slingeren steeds wel enkele microdruppeltjes hebt die zich in de lucht verspreiden en zich kunnen vastzetten op de muren. Vandaar dat het altijd beter is de slinger zoveel mogelijk dicht te houden bij het slingeren
  • Alle lichten moeten afgeschermd zijn. Deze regel is er om te vermijden dat een lamp stuk zou gaan en het glas in je honing terecht zou komen
  • Er mogen geen dieren aanwezig zijn in het slingerlokaal. Niemand wil een honden- of kattenhaar terug vinden in de rijper en je wenst je honing ook niet te contamineren met de geuren van je huisdieren
  • Je mag niet roken in je slingerlokaal.
  • Indien je een garage gebruikt, dan mogen er geen stoffen aanwezig zijn waarvan de geuren je honing kunnen bereiken (ook auto’s vallen onder die categorie door de olie en uitlaatgassen)
  • Er moet in de nabijheid warm en koud water aanwezig zijn

2.3. Het ontzegelen van de ramen

In het slingerlokaal plaats je een ontzegelstelling. Dat is in wezen een (doorgaans plastic of inox) bak waarop een stelling geplaatst wordt waartegen je één of twee ramen kan plaatsen. Je neemt vervolgens een apparaat om de waszegels van de honing te verwijderen. Dit kan een ontzegelmes zijn (er bestaan messen die je in warm water dient voor te verwarmen en elektrische messen die zichzelf warm houden) of een ontzegelvork. Je verwijdert met deze apparaten de zegels van de cellen van één kant van het raam. De ontzegelvork heeft het voordeel dat het kan gebruikt worden als de vlakken van de raten niet goed vlak zijn. De ontzegelmessen zijn in dergelijke gevallen minder geschikt.
Elke imker heeft zowat zijn eigen idee over hoe je best een raam ontzegelt. De meeste rechtshandigen zetten het raam op een zijkant met de oren aan de linkerkant. Ze gaan dan de zegels verwijderen door de was van rechts naar links weg te steken. Als je je even bedenkt hoe de celletjes georiënteerd zijn (die zijn niet horizontaal opgebouwd, maar hellen een beetje naar boven toe), dan is dat ook een logische manier van werken. Je hebt dan nog twee opties over: van onderen naar boven toe werken of van boven naar onderen. Als je van boven naar onderen toe werkt, loop je het risico dat er honing uit de bovenste cellen over de nog verzegelde wasdekseltjes loopt. Dat risico heb je niet als je van onderen naar boven toe ontzegelt.
Laten we stellen dat de manier van ontzegelen een kwestie van gewoonte is en dat er niet echt een betere of slechtere manier is.
Bij het ontzegelen kan je de zegels laten vallen in de bak. Die kan je na de oogst in een voederbak brengen en laten uitlikken door de bijen.
Als je één zijde van het raam hebt ontzegeld, draai je het raam om en herhaal je het ontzegelen aan de andere kant van het raam.
Eens een raam volledig ontzegeld is, kan je dit overbrengen naar de honingslinger.

2.4. Het slingeren van de ramen

Bekijk eerst even in welke richting je slinger draait als je deze in gang zet. Plaats de ramen dan allemaal op dergelijke manier dat de ‘oren volgen’. Je kantelt de ramen dus op hun zijkant en zorgt ervoor dat de kortste van de twee lange latten als eerste voorbij een punt komt dat zich in de draairichting bevindt. Je hebt slingers waarin je 2 ramen kan plaatsen, anderen zijn goed voor 3 of 4 ramen. Voor industriële doeleinden bestaan er ook elektrisch aangedreven slingers waarin zelfs 64 ramen tegelijkertijd kunnen ingebracht worden.
Zorg er in elk geval voor dat de ramen die je in de slinger plaatst allemaal ongeveer evenveel wegen. Dat voorkomt het dansen van de slinger eens deze in beweging is. Kan je deze verdeling niet goed verzekeren, slinger dan eerst op traag toerental zodat er al een groot gedeelte van de honing de raten verlaten heeft vooraleer je op een hoger toerental gaat draaien.
Een goede tip is van eerst één zijde van de ramen op traag tempo te slingeren, dan de ramen om te draaien en ook eerst op laag toerental te draaien. Je kan dan het tempo na een paar minuten langzaam opvoeren tot alle honing van de ene kant van het raam verwijderd is. Dan draai je de ramen nog eens om, om op hoog toerental nog eens te slingeren. Deze manier van werken vermijdt dat de eerste kant van de ramen teveel druk krijgt te verduren van de honing die nog aan de andere kant zit, waardoor de raat uit het raam kan geduwd worden.

Zorg ervoor dat de korf van de slinger niet in de honing draait (dan breng je lucht in de honing). Bekijk dus goed hoeveel honing er zich al in de kuip heeft verzameld en zorg ervoor dat je de honing op tijd laat weglopen. Onder de klep langs waar de honing de slinger verlaat, plaats je filters (één met grove mazen en minstens één met fijne mazen) boven een rijper. Hoe fijner de mazen van de laatste filter zijn, hoe beter. Is je filter niet fijn genoeg, dan verkrijg je zwarte spikkels in de honing en dat is niet aangenaam. De fijnste filters zijn duurder dan de anderen, maar het loont wel de moeite om daarin te investeren.

Het slingeren doe je in een warm lokaal. Ideaal is een temperatuur boven de 25°C. Bij deze temperatuur zal de honing viscoser zijn en makkelijker uit de raten vliegen. Ook het lekken van de honing door de filters gaat makkelijker als het warm is.
Heb je echter geen warm lokaal, ga dan ’s morgens niet dadelijk alle honingzolders van je volken afnemen. In de kast zit je honing op een aangename temperatuur van boven de 30°C. Ga je die honing dan lange tijd in een niet verwarmd lokaal zetten, dan gaat die temperatuur snel zakken en wordt het steeds moeilijker om de honing uit de raat te slingeren. Beter is dan van de honing kast per kast af te nemen en dadelijk te slingeren.

Na het slingeren van de lentehoning, kan je de vuile ramen uitsmelten en de anderen terug aanbieden aan de volken voor het verzamelen van de zomeroogst. De vuile ramen die je verwijderde, kan je dan vervangen door waswafels.

Na het slingeren van de zomerhoning ga je in principe geen lege ramen meer aanbieden aan je volken (behalve misschien als je nog rekent op een najaarsoogst van balsemien). Je kan de ramen dan het best nog laten uitlikken door de bijen vooraleer deze op te slaan voor de winter. Om de ramen te laten uitlikken, plaats je eerst een lege romp boven je volk. Boven op die lege romp komt dan de romp met de uit te likken ramen. De lege romp dient als bufferzone. De bijen zien deze lege ruimte en gaan ervan uit dat deze geen deel uitmaalt van hun nest. Ze zullen de honing die nog in de ramen zit dan ook gaan verzamelen en deze naar hun nest brengen (dat zich onder de lege romp bevindt). Na een paar dagen zal je merken dat alle honing verwijderd werd uit de geslingerde ramen. Je kan het lege hoogsel en het hoogsel met uitgelikte ramen dan ook verwijderen.

Voor de winteropslag van deze ramen kan je opteren voor een aparte kuipdiepvries (die je één dag per maand opzet) of je kan een toren bouwen van hoogsels met uitgelikte ramen. Onder en boven die toren plaats je dan een gaas waardoor insecten geen kans krijgen om de toren binnen te sluipen.

2.5. Het rijpen van de honing

Deze benaming is niet ideaal gekozen omdat het eigenlijke rijpen van de honing in de kast door de bijen wordt geregeld. In deze context bestaat het ‘rijpen’ eruit, dat men de honing in de rijper gedurende twee of drie dagen in een warme omgeving laat staan (ongeveer 25°C indien mogelijk). De luchtbelletjes, wasdeeltjes, stuifmeelkorrels en andere onzuiverheden zullen langzaam naar de bovenkant van de honing komen drijven en zullen daar een witte schuimlaag vormen. Deze schuimlaag kan je dan 1 of 2 keer verwijderen, waardoor je een kristalheldere honing overhoudt. Je kan de schuimlaag het best verwijderen door deze af te scheppen, er een dun vel plastic folie op te drukken en deze dan te verwijderen of er een niet-vezelende doek op te leggen en deze dan te verwijderen.
Met al deze systemen zal er een deel honing meekomen die de imker perfect op de boterham kan smeren of die hij opnieuw kan aanbieden aan de bijen.
Dek alleszins je rijper af zodat wespen, mieren en andere insecten er niet in kunnen. Het afdichten van de rijper is ook belangrijk om geen omgevingsvocht aan te trekken. Je kan dit bijvoorbeeld doen met een niet-pluizende keukendoek.

Als je nog niet zeker bent dat imkeren een hobby wordt die je lang zal volhouden, kan je best rijpers kopen in plastic. Deze zijn goedkoop en als je honing niet te lang in de rijper blijft zitten, voldoen ze zeker en vast. De inox rijpers zijn zonder twijfel beter voor je honingopslag, maar zijn wel een pak duurder. Vermijd alleszins het gebruik van rijpers in gegalvaniseerd staal (door de korte contactduur van de honing in een slinger (max 2 uur), kan je slinger wel van gegalvaniseerd staal zijn).

2.6. Vloeibare of smeerbare honing

Eens de honing gerijpt werd, kan deze in potten afgevuld worden. In dat geval krijg je lopende honing, een product dat door vele consumenten gesmaakt wordt.

Je kan als imker wel best steeds vermelden dat elke goede honing na een tijd zal gaan kristalliseren. Bij de ene honing (als de bijen bv veel op acacia gevlogen hebben) zal het heel lang (tot meerdere jaren) duren vooraleer de honing begint te kristalliseren. Bij andere honing (bv als de bijen veel op koolzaad gevlogen hebben) kan dit al na enkele weken gebeuren. Bij de gewone ‘bloemenhoning’ zal je het kristallisatieproces doorgaans na 3 tot 6 maand zien optreden. Dat kristallisatieproces verandert niets aan de kwaliteit, noch aan de smaak van de honing, maar niet elke consument ‘proeft’ graag die grove kristallen in de mond.

Om te vermijden dat de honing gaat kristalliseren in grove kristallen, kan je ervoor zorgen dat je het kristallisatieproces zelf in de hand neemt. Wat je dan eigenlijk gaat doen is de grote kristallen, die zich in wezen al na enkele dagen in elke honing vormen, gaan breken. Door dit breken van de structuur van de kristallen in kleinere ‘onzuiverheden’, vindt de honing terug meerdere ‘kernen’ om errond kristallen te vormen. Als je dit proces weer herhaalt, ga je nog veel meer kleine kristallen hebben… Na een paar dagen roeren gedurende een tiental minuten, kan je een honing bekomen die goed smeerbaar is. Hoe meer je kan roeren, hoe fijner je kristallen worden en dus hoe smeerbaarder de honing wordt. Je moet wel opletten dat je niet gaat overroeren. Stop daarom met het roeren vanaf het ogenblik dat je een soort van wolkvorming ziet optreden in de honing.Dit kan je heel goed zien omdat er een duidelijk kleurverschil optreedt in de honing.

Als je nu pech hebt, kan het zijn dat je toch een drietal weken in je honing moet roeren vooraleer deze wil beginnen te kristalliseren zoals je het wil. Dat heeft twee oorzaken: als de omgevingstemperatuur hoger is dan 25°C (wat wel vaker voorkomt in de zomer), zal de honing sowieso niet kristalliseren. In de zomer komen er ook vele planten in bloei die weinig glucose bevatten. Als de bijen de nectar van deze planten gaan verzamelen, zal het glucosegehalte van de honing laag zijn, en dat bevordert de kristallisatie helemaal niet.

Als je geen zin (of geen tijd) hebt om gedurende weken je zomerhoning te roeren, kan je werken met enthoning. Enthoning is een glucoserijke honing die je hebt (van je oogst van vorig jaar of van een andere imker die je betrouwt) die al fijnkorrelig is. Koolzaadhoning is een ideale enthoning.

Je neemt nu je potje enthoning en voegt er drie keer zoveel van je nieuwe oogst aan toe. Van 500gr enthoning bekom je dan een mengsel van 2kg honing. Roer dit langzaam goed door. Idealiter doe je dit in een ruimte waar het 15 tot 17 °C is. De dag nadien voeg je dit mengsel toe aan je rijper, waarna je intensief gaat roeren. Je gaat nu een paar keer per dag je rijper goed doorroeren zodat de enthoning zich goed vermengt met je honing. Je zal zien dat je na een paar dagen al de wolkvorming zal zien verschijnen.

Het roeren kan je manueel doen of semi-automatisch met een speciale spiraal die je op een boormachine kan monteren. Kies je voor die laatste oplossing, zorg er dan wel voor dat je een stevige boormachine neemt met veel vermogen die je enkel en alleen gebruikt voor het roeren van de honing. Je kan ook een automatische roerder aanschaffen. Dit zijn computergestuurde apparaten waarop je kan instellen hoe vaak en hoe lang je wil dat de honing geroerd wordt. Deze toestellen zijn wat duurder. Het voordeel ervan is dat je eigenlijk niet veel meer moet doen. Af en toe eens controleren dat de honing al ‘wolken begint te trekken’ is voldoende. Gebruik je een dergelijk apparaat, zorg er dan voor dat de schoepen steeds onder de honing zitten om geen lucht te mengen in je honing. Stel het apparaat in op de traagste roersnelheid en laat de honing steeds voldoende rusten tussen twee roerbeurten.

Je gaat de honing inpotten als deze homogeen wolkig is en nog goed loopt.

Er zijn imkers die aanbevelen van slechts één keer heel lang te roeren (30 minuten) en dan dadelijk in te potten. Het is dus een kwestie van aanvoelen wat je goed vindt.

Een andere entmethode is deze waarbij je een halve kg enthoning neemt en deze in een hoge ijsroomdoos doet. Je klopt die nu tot het uitzicht van crème fraîche in één tot twee minuten (met zo’n ijzeren spiraal die je op een mixer kan zetten). Roer de bekomen substantie dan door je honing. Wat je nu doet is heel fijne kristallen inbrengen in je honing. Met deze methode kan je al volstaan met 3% volume enthoning. Je kan je eigen lentehoning gebruiken om je zomerhoning te enten.

Je verandert de kwaliteit van je honing niet met het enten, maar je zal wel merken dat je een kleurverschil zal hebben. De bekomen geënte honing zal bleker zijn dan je oorspronkelijke honing.

Uiteindelijk moet je maar zien welke honing je klanten prefereren. Het voordeel van geroerde honing is alleszins dat deze niet meer grof kan uitkristalliseren, wat je wat uitleg bespaart.

3. De verkoop van honing

3.1. Soorten honingen

Als je in de gespecialiseerde honingwinkels rondkijkt, vind je er honingen terug die blijkbaar afkomstig zouden zijn van één enkele plantensoort (acaciahoning, klaverhoning, lindehoning, wilgenhoning…). We noemen deze honingen monoflorale honingen. Ook sommige Belgische imkers beweren dat ze deze soorten honing hebben. 

Om te mogen beweren dat je honing afkomstig zou zijn van een zekere botanische afkomst, bepaalt de wet dat er een vooraf bepaald percentage pollen van die plant moet aanwezig zijn in de honing. Dat kan enkel vastgesteld worden in een gespecialiseerd labo. Meer nog, als je als imker beweert dat je acaciahoning hebt en bij analyse van je honing blijk je niet te voldoen aan de gestelde voorwaarde (in dit geval moet 20% van het stuifmeel in de honing van de acaciaplant komen), dan mag je je verwachten aan een gepeperde boete die kan oplopen tot 10.000 euro.

Om het eigenlijk even onomwonden te stellen: in België kan je enkel bloemenhoning hebben en als je reist met de bijen naar Wallonië is ook koolzaadhoning een mogelijkheid. Alle andere beweringen over monoflorale honingen zijn ‘wishfull thinking’ van de betrokken imkers.

Ook al neem je dus alle mogelijke maatregelen om zoveel mogelijk nectar van de acacia te hebben (vb alle honing afnemen net vóór de bloei van de acacia en je kasten vlak bij een acaciabos plaatsen), toch mag je zomaar niet beweren dat je dat type honing hebt. Je bijen vliegen immers 3 km ver om hun voedsel te vergaren en op het ogenblik dat de acacia bloeit, zijn er echt ook nog wel andere interessante planten waar de bijen op gaan vliegen. Het feit dat je honing niet vlug kristalliseert (een eigenschap van acaciahoning) is dan ook niet voldoende om dit label erop te kleven.

In de volgende tabel zijn de stuifmeelpercentages opgenomen die gelden volgens de wet voor bepaalde honingsoorten:

Acacia 20               borage 10
Crambe 30 Distel 20
Fruitbloesem 45 Heide 30-45
Klaver 45 Linde 20
Phacelia 90 Tamme kastanje 90
Teunisbloem 1 Vergeet-mij-nietje 90
Vossebes 45 Wilg 70

Het feit dat er van sommige planten blijkbaar weinig stuifmeel in de honing moet zitten en van andere planten dan weer veel, hangt vooral af van de hoeveelheid stuifmeel dat deze planten produceren.

 

3.2. De verpakking

De ideale verpakking voor honing is ondoorzichtig. Honing bewaart immers het best bij koele temperaturen en op een donkere plaats.
Voor de consument blijkt dergelijke verpakking echter niet interessant te zijn. De koper wenst het product te kunnen zien vooraleer hij het koopt. Daarom zijn de glazen verpakkingen het meest in trek. De imkers bieden hun honing doorgaans aan in potten van 500 gr, maar ook potten van 450 gr en 250 gr worden vaak aangeboden. In wezen speelt de grootte van de pot geen rol.
Als afsluiting van dergelijke potten is een metalen deksel met schroefdraad aan te raden. Deze deksels zijn echter kwetsbaar voor krassen, waardoor vuil er zich kan in ophopen en er ook roest kan ontstaan indien het deksel niet van roestvrij staal is gemaakt. De kunststofdeksels die ook in trek zijn bij imkers zijn af te raden en bij meermalig gebruik niet meer perfect afsluitend.
Heb je vaste honing, dan kan je die wel afsluiten met een plastic deksel, maar vooral bij lopende honing is het toch aan te raden van een metalen deksel te gebruiken.
Gebruik alleszins altijd nieuwe honingbokalen. Gerecupereerde bokalen van confituur etc. zijn echt geen goed idee.

Vul je bokalen ook af tot het aangegeven nettogewicht. Als je 500gr netto op je pot zet, zorg er dan ook voor dat dat gewicht erin zit. Je kan dit verzekeren door elke pot op een weegschaal te zetten bij het afvullen. Een gewicht van 501 tot 505 gr zal ervoor zorgen dat al je klanten tevreden zijn. Heb je teveel afgevuld in je pot, verwijder dan wat honing met een koffielepeltje.
Voor het etiket zijn er heel specifieke wettelijke voorschriften vastgelegd over welke informatie er moet opstaan. Die voorschriften gelden trouwens ook als je je honing gratis weggeeft aan je buren of familie.
Zo dient de benaming ‘honing’ of ‘honig’ op het etiket te staan. Deze benaming mag ook vervangen worden door ‘bloemenhoning’ , ‘nectarhoning’, ‘voorjaarshoning’, ‘zomerhoning’, etc.
Het land van oorsprong en liefst zelfs de streek/gemeente van oorsprong dient op het etiket te staan. Als je je adres dus gebruikt als aanduiding van de oorsprong, moet je verplicht naast of onder je gemeente ook nog “België” zetten.

Voor de groothandelaars is het tot de oogst van 14 juni 2026 toegestaan de notie ‘gemengde EU-honing’ of ‘gemengde EU en niet-EU honing’ te gebruiken. Die laatste notie is trouwens niets zeggend. Stellen dat je honing een mengeling is van honingen die afkomstig zijn van binnen en van buiten de EU is hetzelfde als zeggen dat je honing van de planeet aarde komt. Vanaf juni 2026 dienen alle landen van herkomst op het etiket te staan, in dalende volgorde van het gebruikte percentage. Bij de eerste vier landen dient dat percentage ook vermeld te worden.
In een in 2023 op vraag van de EU uitgevoerde controle bleek dat maar liefst 46% van de geïmporteerde honing vervalst was (niet voldeed aan de definitie van honing). Vaak werd goedkope suikersiroop toegevoegd. Met de nieuwe Europese regelgeving probeert men de fraudeurs te slim af te zijn.
De inhoud in grammen, de naam en het adres van de imker, de vermelding ‘ten minste houdbaar tot’ alsook een identificatiecode zijn verplicht. Deze laatste is een code die de imker zelf mag kiezen. De code moet wel toelaten de oorsprong van de honing te achterhalen. Als je bv 2 kasten hebt en je oogst in mei de lentehoning, dan kan je de code 2026_L gebruiken. In theorie kan de datum van ‘ten minste houdbaar tot’ als lotnummer dienen, maar dat is niet altijd sluitend, vooral als je honing van jaar X 2 jaar houdbaar is en die van jaar X+1 slechts 1 jaar houdbaar. Dan kan het wel eens zijn dat je twee keer eenzelfde datum bekomt. Beter is dus een eigen code te voorzien.
Voor de voedselindustrie is het nog beter als je per kast een aparte oogst kan uitvoeren en de honing per oogst kan labelen, alhoewel wordt aanvaard dat dat niet praktisch is.

Voor de aanduiding ‘ten minste houdbaar tot’ zijn de volgende regels geldig. Uit jarenlange ervaring zijn de volgende houdbaarheidstermijnen gebleken. Links zie je het percentage vocht dat in de honing zit, rechts de erbij horende houdbaarheidstermijn.

20% 3 maand
19 % 6 maand
18% 1 jaar
17 % en minder 2 jaar


Bevat je honing meer dan 20% vocht, geef die dan maar terug aan de bijen en riskeer het niet van deze te oogsten. Bevat je honing minder dan 17% vocht, dan blijft de houdbaarheidstermijn 2 jaar.
Wees als imker alleszins correct in de aanduiding van de houdbaarheidstermijn. Het kan je een hoop miserie besparen. Je klanten zullen je eerlijkheid appreciëren en als ze de honing niet binnen de opgegeven termijn consumeren zijn het misschien ook wel niet de beste honingeters ;).
Als je honing begint te gisten na 5 maand, maar je had duidelijk op de pot vermeld dat er een houdbaarheidstermijn van 3 maand geldig was, kan je niet in de problemen komen. Het is altijd zonde dat je standaard 2 jaar op je pot zet, en je klanten na 6 maand al komen melden dat je honing aan het gisten geslagen is. Dan begint er doorgaans een discussie over de manier van bewaren etc. Beter correct zijn dus om problemen te vermijden.
De houdbaarheidsdatum bepaal je trouwens niet op basis van je oogstdatum, maar op basis van je afvuldatum.
Heb je honing met meer dan 19% vocht, plaats dan ook op je etiket hoe de honing bewaard moet worden (onder de 11 graden, dat wordt dus de ijskast). Dat zal ervoor zorgen dat de honing niet kan gaan fermenteren.
Het is trouwens altijd een goed idee van je klanten mee te geven dat honing idealiter bewaard wordt bij 15% en dat deze best op een donkere plaats gezet wordt.

3.3. Wat meer over het kristalliseren van honing

Kristalliseren of versuikeren van honing is een natuurlijk verschijnsel. Het kristallisatiegedrag is afhankelijk van vier grote factoren: het glucose- en fructosegehalte, het vochtgehalte, de temperatuur en de aanwezigheid van ‘vervuilingen’ of ‘kristallisatiekernen’.
Glucoserijke honingsoorten kristalliseren altijd uit, hetzij in z’n geheel bij zeer veel glucose (koolzaadhoning), hetzij als laagje bij middelmatig glucosegehalte (lindehoning). Fructoserijke honingsoorten kunnen jarenlang helder blijven (acaciahoning).
Als er veel vocht in de honing zit, zal het kristallisatieproces afgeremd worden.
Dat is ook het geval als de honing verwarmd werd. Is de omgevingstemperatuur lager dan 5°C of hoger dan 25°C, dan valt de kristallisatie stil.
Als het stuifmeel dat altijd aanwezig is (in meer of mindere mate) in de honing wordt weggefilterd (een praktijk die in Europa niet mag uitgevoerd worden), zal dit ook een remmend effect hebben op de kristallisatie.

Wil je de kristallisatie versnellen, dan kan je ook inspelen op de hierboven genoemde factoren: je kan glucose inbrengen in je honing (door gebruik te maken van enthoning). Je kan de honing op de perfecte temperatuur brengen om de eerste kristallen te vormen (5-7°) om hem dan op de juiste temperatuur te brengen om de kristallen te laten groeien (15-17°). Aan het vochtgehalte kan je weinig doen, alsook aan het aanwezige stuifmeel.
Door te gaan roeren in de honing (men raadt aan van per dag twee keer 10 minuten te roeren en dat minstens gedurende 3 dagen), ga je de aanwezige kristallen beschadigen. Je gaat ze eigenlijk in stukken breken, waardoor de hoeveelheid aanwezige kernen exponentieel zal groeien.
We weten dat de eerste kristallen zich vormen tegen de wand van de rijper en op de bodem ervan. Als je gaat roeren, moet je er dus zeker voor zorgen dat je met de roerstok langs die plaatsen gaat. Roer trouwens zo traag mogelijk. Daardoor vermijd je dat er lucht in je honing terecht komt. Je moet ook zeker niet continu roeren. De honing moet regelmatig kunnen rusten zodat de kristallen zich kunnen vormen.
Als alles goed verloopt, zal je door te roeren mooie smeuiige honing verkrijgen.

Als je het wat technischer wil bekijken, dan kan je de verzadigingscurve en de oplosbaarheidscurve van de suikers bekijken. Zit je linksboven de verzadigingscurve, dan zal de honing altijd kristalliseren. Dat is bijvoorbeeld het geval voor koolzaadhoning. Zit je onder de oplosbaarheidscurve, dan zal je honing nooit kristalliseren (acaciahoning valt in deze categorie). De verzadingingscurve en oplosbaarheidscurve zijn gerelateerd aan de temperatuur. Zo kan je honing mooi tussen beide curves zitten bij 25°, maar als het kouder wordt, schuif je op naar links in de grafiek en kom je plots boven de verzadingscurve uit, waardoor de honing gaat kristalliseren.
De meeste imkers weten wel dat koolzaadhoning snel kristalliseert, maar ook zonnebloemhoning gaat snel kristalliseren, alsook paardebloemhoning. In onze voorjaarshoning zit er altijd paardenbloemnectar. Vandaar dat die doorgaans goed kristalliseert na twee weken.
De acacia zit in de andere kant van het spectrum (weinig glucose), pure honingdauw ook. Kastanjehoning is ook hier te vinden. Vandaar dat onze zomerhoning zo moeilijk vast wordt.

Als je niet gaat roeren, en je de honing gewoon laat kristalliseren, dan zal je een harde massa verkrijgen die gebaseerd is op grote kristallen. Daar kan je een plastic lepel makkelijk op breken. Wens je dat niet, dan zal je mechanisch moeten roeren om die grote kristallen te breken in kleinere kristallen. Goed geroerde honing zal smeuïg worden.

Als laatste geven we hier nog mee wat je kan doen als je een pot honing hebt die grof uitkristalliseerde. In dergelijk geval heb je eigenlijk maar één goede oplossing: verwarm de honing langzaam au bain-marie en stop met verwarmen eens de honing gesmolten is. Roer de honing langzaam door tijdens de verwarming.
Ga de honing niet in de microgolf stoppen. Doe je dat, dan ga je de enzymen stuk maken en reduceer je de honing tot een simpele oplossing van suikers en dat is dan toch zonde van het geld (kristalsuiker is een factor 10 goedkoper dan honing).

In de winkels zie je meer en meer knijpflessen verschijnen met vloeibare honing. Als we weten dat alle honingen in principe gaan kristalliseren, hoe doen de fabrikanten van die knijpflessen het dan om de honing zo lang mogelijk vloeibaar te houden? Wel, ze gaan inzetten op verschillende parameters. Zo gaan ze om te beginnen honingen selecteren die arm zijn aan glucose. Bijkomend gaan ze de honingen filteren onder grote druk om alle aanwezige kristallen te verwijderen. Ze zorgen er ook voor dat ze een aparte afvullijn gebruiken voor die flesjes. Als laatste gaan ze de honing nog pasteuriseren op 72°C. Met al die ingrepen, zal de honing lang vloeibaar blijven.

3.4. Wat als er iets misloopt met de honing?

Gisten zijn micro-organismen, die zich op vochtige plaatsen snel kunnen vermenigvuldigen. Na het oogsten zal elke honing een aantal suikertolerante gistcellen bevatten. De grote honingbedrijven gaan (voorlopig toch nog, want vanaf juni 2026 mag het niet meer) hun honing verwarmen vooraleer deze in te potten. Hierdoor worden de gisten vernietigd (maar ook de goede enzymen).
Een imker zal de honing zorgvuldig slingeren en afvullen en zal hierbij niet overgaan tot het verhitten van zijn kostbare goedje. Hierdoor zullen er dus gistcellen in de honing aanwezig zijn. Indien er minder dan 17% vocht in de honing aanwezig is, zullen die gistcellen niet kunnen groeien. Ze zijn dan dus stabiel aanwezig, maar kunnen geen kwaad doen. Bij een vochtpercentage dat hoger ligt dan 20% zal de honing zeker gaan gisten.
De kans op gisting kan je verminderen door :

  • Alleen verzegelde honing te slingeren
  • De honing luchtdicht te verpakken, zodat die geen nieuw vocht kan aantrekken
  • De honing droog te bewaren bij een temperatuur onder de 15°C
  • De honing geleid te laten kristalliseren door deze te roeren.

Bij gisting zie je de structuur van de honing in de pot veranderen. Deze krijgt dan een niet-homogeen uitzicht. Als je je honing te warm bewaard hebt en de gisting treedt op, dan kan het voorkomen dat de druk in de honingpot zo groot wordt, dat het deksel een beetje naar boven wordt geduwd en de honing uit de pot stroomt.
Gegiste honing is niet meer goed voor consumptie. Je kan die koken en als suikerwater terug aanbieden aan de bijen.

Een ander probleem kan je hebben als je de honing te lang te warm bewaard hebt. In dat geval kan je voorhebben dat de aanwezige suikers zich zullen gaan splitsen. Je zal dan een witte, harde, laag zien ontstaan aan de onderkant van de pot en een donkere, vloeibare, laag bovenaan. In de onderste laag zit voornamelijk glucose.
Je zou alles terug door elkaar kunnen roeren, maar je zal zien dat de suikers zich terug zullen gaan splitsen na een paar dagen. In wezen is deze honing nog eetbaar, maar de smaak ervan wordt maar door weinigen geapprecieerd. Voor in de thee kan de honing nog wel dienen.

Als je de honing te lang te koud bewaard hebt, kan je frosting krijgen. Hier krimpt de honing in de pot en gaat deze wegtrekken van het glas waardoor er een dun laagje lucht ontstaat. De glucose die tegen het glas plakte, gaat zich uitdrogen in ‘frosting’. Het ziet er misschien iets specialer uit, maar deze honing is nog perfect consumeerbaar.

3.5. De prijs van honing

In Europa produceren we minder honing dan dat we consumeren. Daarom moeten we buigen op de import van honing.
In 2023 importeerden de EU-lidstaten 163.700 ton honing voor een totale waarde van 259.3 miljoen euro. Dat maakt slechts 1.58 euro per kg gemiddeld.
De goedkoopste honingen komen uit China en Argentinië. De Chinese honing wordt verkocht aan 1.28 euro per kg.
De duurste honing is de Manukahoning. Die gaat al gauw richting de 250 euro per kg.
Er werd ook honing uitgevoerd uit de EU. Het ging hier over 24.900 ton honing met een waarde van 146 miljoen euro. Dat maakt een gemiddelde prijs van 5.86 euro per kg.
We importeren vooral honing uit China (37%), Oekraïne (28%), Argentinië (12%), Mexico (7%) en Cuba (3%).

Wens je een goede lokale honing van de imker, dan dien je te rekenen op ongeveer 8 euro per 500 gr.
Verkies je monoflorale honing (waarbij je automatisch naar buitenlandse honing moet teruggrijpen), dan zit je al gauw op ongeveer 20 euro per kg.

4. Honing, een magisch produkt ! ?

4.1. De consumptie van honing door de mens

De mens is altijd al verzot geweest op zoetigheden. Als we vandaag denken aan suikers, dan denken we al snel aan kristalsuiker. Kristalsuiker wordt sinds 1880 gewonnen uit bietsuiker en is een verzameling van sucrose (samengestelde suikers). Ons lichaam zal bij het verteren van die suikers de sucrose gaan verknippen in enkelvoudige suikers zodat de opname ervan in ons bloed kan gebeuren onder de vorm van druivensuiker of glucose. Ons lichaam heeft dus met andere woorden een beetje werk aan die kristalsuiker.

Als we nu honing consumeren, dan doen we ons lichaam eerder een plezier, want honing bestaat reeds uit enkelvoudige suikers. Het is een directe bron van glucose en dus van energie. Dat geeft hetzelfde effect als het opnemen van een klontje dextrose. Bijkomend zit er naast glucose ook fructose in honing en na de glucose, wordt ook deze fructose vlotjes opgenomen door ons lichaam. Honing is daarom een zeer snelle bron van energie.
Dat maakt honing zeer interessant voor mensen die ziek geweest zijn of wat verzwakt zijn.

Honing is trouwens een levensmiddel dat ons helpt bij de vertering van ons voedsel. Er zit immers diastase in honing en dat enzyme lost zetmeel op. Eet je een boterham met honing, dan ga je daarom niet dadelijk een overladen gevoel hebben. De honing helpt immers bij de vertering van de boterham.
Een misvatting is dat honing rijk zou zijn aan vitamines. In de nectar zitten weliswaar een beetje vitamines, maar je kan toch beter een stukje fruit eten dan te moeten terugvallen op kilo’s honing om dezelfde hoeveelheid vitamines binnen te krijgen.

Het zoetend vermogen van honing ligt hoger dan dat van bietsuiker. Wil je dus een beetje gewicht kwijt spelen, terwijl je toch vasthoudt aan je zoetigheden, gebruik dan honing ipv kristalsuiker: je zal er minder van nodig hebben en dus ook minder calorieën binnenkrijgen.

Wist je trouwens dat de oude Romeinen belastingen betaalden met honing, net als de Azteken van Midden-Amerika?

4.2. Giftige honingen

Je zou denken dat alle honingsoorten lekker zijn (alhoewel dat een kwestie van smaak is) en onschuldig voor de mens. Toch zijn er een aantal honingen die men beter kan vermijden. Zo zijn de nectars van de Rhododendron ponticum, van de Kalmia (VS) en de Andromeda (Japan) giftig voor de mens. Bij inname van kleine hoeveelheden van de honing die uit deze nectars wordt gewonnen, kan men tintelingen in de vingers en tenen krijgen, hoofdpijn, misselijkheid, een daling van de hartslag en zelfs bewusteloosheid.
In Zuid-Afrika groeit er een Euphorbiasoort waarvan de honing een zeer scherp en pijnlijk gevoel in de keel veroorzaakt.
In Nieuw-Zeeland zijn er gebieden waarin imkeren verboden is omdat de Tutuboom die er groeit zorgt voor een zeer giftige honingdauwhoning. De inname van een theelepeltje van deze honing kan je al bewusteloos maken.

En wat te denken van de Manukahoning die de hemel ingeprezen wordt voor haar antibacteriële werking en daarom in brandenwondencentra wordt aangewend. Wel deze honing is niet zo onschuldig als je die gaat opeten. Men heeft al vastgesteld dat deze honing zo krachtig is, dat hij de goede bacteriën in de darmflora vernietigt.

Honing is dus niet altijd even onschuldig als het eruit ziet.

4.3. Botulisme

In 1976 werd het infantiel botulisme ontdekt. Dit is een ziekte die veroorzaakt wordt door een bacterie die op haar beurt de giftige stof botuline kan aanmaken. Botuline is in heel kleine dosissen al dodelijk voor baby’s.

Bij het infantiel botulisme gebeurt de besmetting via de mond. De sporen van de bacterie komen via die weg het spijsverteringssysteem binnen en zullen zich vestigen in het darmkanaal. Daar gaan ze zich snel vermenigvuldigen en vormen ze het botuline. Baby’s jonger dan 6 maand hebben sowieso nog geen volgroeide darmflora, waardoor het botuline lelijk huis kan houden. De meeste kinderen hebben een gezonde darmflora ontwikkeld tegen dat ze tien maanden oud zijn. Vandaar dat men voor de veiligheid stelt dat ze na de leeftijd van één jaar genoeg reserve hebben om de strijd tegen botuline te kunnen aangaan. Dat is dus de reden waarom we als imker dienen mee te geven aan onze consumenten dat honing niet mag gegeven worden aan kinderen jonger dan één jaar.

De sporen van botuline komen trouwens overal in de natuur voor. De bijen kunnen deze sporen dan ook meebrengen naar het nest en die kunnen alzo in de honing belanden. Zoals we hierboven al vermeldden zitten de sporen ook vrij algemeen verspreid in de grond. Zet daarom je honingzolders of je honingramen niet rechtstreeks op de grond om besmetting te voorkomen.

Tot nog toe werden er in de VS al meer dan 600 gevallen van infantiel botulisme geregistreerd, gelukkig niet allemaal met dodelijke afloop.

4.4. 'Geneeskrachtige eigenschappen' van honing

Reeds in de oudheid werd het gebruik van honing beschreven voor de genezing van wonden en bij darmklachten. Ook vandaag de dag nog wordt honing in vele landen gebruikt als EHBO middel. In de ontwikkelingslanden, waar je niet zomaar snel even op bezoek kan bij een dokter, wordt honing met succes gebruikt in de strijd tegen chronische wonden, keelontstekingen, luchtweginfecties, brandwonden, huidziekten, wratten, slapeloosheid, aambeien en waterpokken.
In Turkije oogst men de zogenaamde Anzer honing. Van deze honing wordt beweerd dat het een wondermiddel is tegen alle kwalen. Er zijn wel veel vervalsingen van op de markt.
In Marokko is er de Daghmous honing van het Atlasgebergte die ook de hemel in wordt geprezen.
Nu we meer en meer bacteriën zien opduiken die resistent zijn geworden tegen onze anti-biotica, grijpt men graag terug naar honing om slecht genezende wonden te verzorgen. In India behandelde een arts 52 brandwondenpatiënten met het klassieke zilversulfathiazine. 52 andere brandwondenpatiënten behandelde hij met honing. Na 15 dagen waren de wonden van 10% van de patiënten genezen die het klassieke middel kregen. Bij de honing was dit een verbazingwekkende 87%.
In Nigeria behandelde men 59 patiënten met ‘ongeneeslijke zweren’ met honing. Na amper 1 week was 98% genezen verklaard.
Deze zeer opmerkelijke resultaten blijven niet onopgemerkt, waardoor er een vernieuwde interesse is in deze geneeswijzen. Nieuwe studies die door IBRA worden gepubliceerd geven zeer goede resultaten in de behandeling van doorligwonden, voetwonden ten gevolge van diabetes, operatiewonden, oogklachten, diarree en maagzweren.
Er is ook in labo aangetoond dat honing een grote remming geeft tegen de ziekenhuisbacterie.

Van waar kan dit dan allemaal zo komen dat honing een supermedicijn zou zijn?
Om te beginnen is honing een suikeroplossing waarin bacteriën niet kunnen overleven. Honing is ook wateraantrekkend, waardoor wondvocht en afvalstoffen mee worden aangezogen. Door regelmatig (om de paar uur) nieuwe honing op de wonde aan te brengen, blijft dit proces zich herhalen en wordt de wonde schoner en schoner. Moest je dit met een gewone suikeroplossing proberen, zou dat ook tot op zekere hoogte werken. Het vocht dat aangetrokken wordt in de suikeroplossing kan er echter voor zorgen dat er nieuwe bacteriën in kunnen groeien. In honing gebeurt dit niet omdat deze een enzyme bevat: het glucose-oxidase. Als er water in de honing komt, zal dit enzyme heel langzaam aan, en dat gedurende vele uren waterstofperoxyde aanmaken en gluconzuur. De waterstofperoxyde doodt bacteriën. Dat verklaart ook een groot deel van het verhaal van de wondenzorg. Als je in de apotheek waterstofperoxyde koopt en je ontsmet er een wonde mee, dan zal dat heel goed werken gedurende enkele seconden. De honing zal die waterstofperoxyde gedurende uren aanmaken en aan de wonde bloot stellen.
Dat is ook de reden waarom een lepeltje honing bij keelpijn wel degelijk helpt.

Het gluconzuur zorgt voor de lage pH waarde van honing, waarin de meeste bacteriën sowieso al niet kunnen overleven.
Als je honing sterk verhit, gaat het enzyme glucose-oxidase verloren.
Voor wondheling en brandwondenbehandeling moet opgemerkt worden dat in een medische context de honing moet gepasteuriseerd worden om het risico op botulisme te voorkomen. Dat betekent dat hiervoor enkel de Manuka honing in aanmerking komt. Pasteurisatie doodt immers de enzymen, waardoor de honing zijn kracht verliest. In Manukahoning zit de chemische stof Methylglyoxaal dat een zeer sterke antibacteriële werking heeft en zijn eigenschappen behoudt bij pasteurisatie.

Het idee dat honing ook gebruikt kan worden om hooikoortssymptomen in de kiem te smoren, komt niet uit de lucht vallen. Het is gebaseerd op het principe van immunotherapie: krijg je voor een langere periode heel kleine hoeveelheden allergenen binnen, dan kan het immuunsysteem zich beter weren tegen allergieën.
Toch lijkt dit niet helemaal op te gaan. De pollen die hooikoorts veroorzaken komen namelijk van bomen en grassen, en worden door de wind verspreid. Honing daarentegen bevat stuifmeel van felgekleurde bloemen, die een stuk minder bijdragen aan het aantal pollen in de lucht.
'Er is op dit moment onvoldoende bewijs dat het eten van lokaal geproduceerde honing kan helpen bij hooikoorts', zegt Priya Katari, kinderallergoloog en immunoloog aan Weill Cornell Medicine in de VS.
Je kan je ook al bedenken dat hooikoorts een reactie is van de opname van pollen van bomen en grassen via het luchtwegenstelsel. Het eten van stuifmeel spreekt het spijsverteringsstelsel aan, en we weten al dat de buitenste schil van stuifmeel zo hard is, dat het merendeel van het stuifmeel gewoon zijn weg vindt door dat spijsverteringsstelsel en ongeschonden via de stoelgang terug verdwijnt.

 

4.5. Honing en brandwonden

Oké, je hebt dus geen Manukahoning ter beschikking (dit is trouwens de meest vervalste honing ter wereld), maar wel een potje van bij de plaatselijke imker. En dan slaat het noodlot toe. Je laat een kop hete thee op je arm vallen en voelt duidelijk de brandwonden.
In eerste instantie ga je je arm dadelijk afkoelen. Houdt je arm 5 tot 20 minuten onder koud stromend water. Verwijder alles dat aan de wonde zou kunnen kleven, maar als er al iets in vastgeplakt zit, laat je dat best zitten. Breng in geen geval zalf of crème aan op de wonde. Dek de wonde steriel af.
Nu moet je kiezen welke methode je wenst te gebruiken: de behandeling door een medisch deskundige of zelfbehandeling. De vuistregel moet zijn dat je bij grote brandwonden (men zegt dat een brandwonde groot is als ze groter is dan de oppervlakte van de hand van het slachtoffer) altijd medische hulp in roept. Doe dat ook bij diepe derde-graads wonden.
Als je kiest voor het zelfbehandelingstraject, ga dan een dunne laag honing aanbrengen op de verbranding na het koelen. Bedek alles met een verband. Let wel op dat honing door het verband kan dringen en dat je dan een plakboel kan krijgen. Zorg er dus voor dat er genoeg lagen zijn om doorlekken te voorkomen.
Met honing genezen brandwonden sneller, met minder pijn, met minder littekenvorming en met minder ontstekingen.
Die ontstekingen blijken de hoofdreden waarom brandwonden vaak probleemwonden zijn. De cellen van het verbrande weefsel zijn zodanig beschadigd dat ze eerst door het lichaam moeten worden opgeruimd. De afbraakstoffen die daarbij ontstaan vormen een prima voedingsbodem voor allerlei bacteriën. Temeer daar de beschermende werking van een intacte huid hier ontbreekt.
Bij de klassieke behandeling met crèmes die een bacteriedodend middel bevatten (vaak zilversulfadiazine = ZSD), ziet men desondanks allerlei kleine ontstekingen ontstaan.
Bij een behandeling met honing ontstaan er vrijwel nooit ontstekingen

Honing werkt sterk antibacterieel en bevat bovendien het aminozuur proline. Daaruit kan collageen worden opgebouwd, een eiwit dat fungeert als de matrix rond de nieuwe cellen. Onderzoekers stellen in dit verband dat honing gunstig werkt op de granulatie, de weefselvorming en de vorming van epitheelcellen. Voorts is het gunstig dat een honingapplicatie vochtig blijft en niet aan de wond hecht.


Honing heeft dus een gunstige werking op geïnfecteerde wonden en op andere bacteriële infecties. De werking is afhankelijk van de soort honing en het feit dat de honing al dan niet verhit werd.

Bij de behandeling van wonden gebruik je trouwens best vloeibare honing. In het slechtste geval zal je dus eerst je vaste honing nog au bain-marie moeten vloeibaar maken.
Bij wondheling dien je echter wel voorzichtig te zijn. De honing werkt immers intens in op de wonde. De wonde gaat aanvankelijk groter worden omdat de honing het zieke weefsel opruimt om nadien weer mooi dicht te groeien. Controleer het verloop van het genezingsproces en onderbreek de behandeling of vertraag het genezingsproces als die te intens wordt.

5. Fraude van honing

Honing staat in de top drie van de meest gefraudeerde levensmiddelen.
Om over fraude te kunnen spreken, moet er een duidelijke intentie tot vervalsing van het levensmiddel zijn, moet de gemaakte vervalsing in overtreding zijn met de wet en moet dit gebeuren met de intentie om winst te maken. Als laatste voorwaarde moet de consument zich bedrogen voelen en ontgoocheld zijn, wat natuurlijk al een zeer subjectief gegeven is.

De Europese Unie liet in 2023 een grootschalig onderzoek uitvoeren over hoe het zit met de fraude in de honingindustrie. Men kwam tot de schokkende vaststelling dat maar liefst 46% van de geïmporteerde honing niet voldoet aan de definitie en onder fraude kon gecatalogeerd worden.
De Turkse honing bleek het meest vervalst te zijn (93% van de stalen). Dit komt omdat men in Turkije tijdens een grote dracht nog steeds suikerwater blijft bijvoederen om de oogst te vergroten.
Bij de Chinese honing kwam men aan 74% vervalsing uit. Men had in het verleden al bewezen dat sommige ‘honingen’ uit China zelfs geen bij hadden gezien (men mengt suikerwaters met enzymen (een afvalprodukt uit de bierindustrie)).
De Chinese beroepsimkers zijn er ook voor gekend dat ze elke twee tot drie dagen gaan slingeren. Men kan daardoor niet stellen dat de honing echt gerijpt heeft in de raat. Het voordeel hiervan is dat er geen verzegelingen gemaakt worden door de bijen, waardoor het slingeren zeer vlotjes gaat. Het geoogste product wordt industrieel uitgedampt om het vochtpercentage op een aanvaardbaar niveau te brengen. De reden van deze manier van werken is een economische: de bijen worden ontlast van de rijping en het verzegelen waardoor ze meer nectar kunnen verzamelen. Ook deze praktijken vallen onder de noemer fraude.
We weten dat Meli-honing een mengsel is dat vooral bestaat uit Chinese honing. Om toch wat smaak te geven aan de ‘honing’ wordt o.a. honing uit de Yucatan-streek toegevoegd. De kwaliteit van deze honing laat dan ook te wensen over.
Je zou verwachten dat er bij de Belgische imkers steeds niet-gefraudeerde honing kan gekocht worden. Toch wees de studie van 2023 uit dat maar liefst 7% van de stalen van de ‘honing van de imker’ vervalst was. Ook hier gelden de economische principes waarbij de imker geen cliënteel wenst te verliezen, ondanks het feit dat hij een kleine oogst had en waarbij hij dan vervalste honing gaat inkopen en deze verkoopt als eigen, lokale honing.
Om een goede indicatie te geven van de grootte van de fraude, heeft men specifiek de Manuka-honing bekeken. Nieuw-Zeeland en Australië zijn de enige landen waar deze honing kan geoogst worden. Zij melden voor 2023 dat er een totale oogst was geweest van 1700 ton. Alleen in het Verenigd Koninkrijk al werd er van die oogst maar liefst 1800 ton verkocht… Wereldwijd sprak men over 10.000 ton. Vandaag kan je zelfs Manuka-honing vinden in één van onze grootwarenhuizen en dat aan meer dan 50 euro voor een klein potje. Besef dus dat dit meer dan waarschijnlijk gefraudeerde honing is. Het is zelfs nog erger: de consumptie van Manuka-honing is een drama voor je darmflora. Deze honing kan je echt best alleen gebruiken voor de behandeling van wonden. Laat hem dus maar rustig staan in het grootwarenhuis.

5.1. Wetenschappelijke bepaling van de 'leeftijd' van honing

In de wetgeving worden drie  parameters (of zogenaamde verklikkers) vermeld die men kan gebruiken om de leeftijd van honing in te schatten (of het feit dat de honing verwarmd werd).
De eerste parameter is HMF. Dat is een stof die in verse geslingerde honing afwezig is. Eens de honing geslingerd is, begint de vorming van HMF. De snelheid waarmee HMF ontstaat, hangt af van de omgevingstemperatuur. Hoe warmer het is, hoe sneller HMF ontstaat. Bij een continue omgevingstemperatuur van 20°C (wat in onze contreien zowat het geval is), zal de honing na 2 jaar ongeveer 40 microgram HMF per kg bevatten. En dat is de grenswaarde die Europa oplegt voor honing. Dat is dan ook dadelijk de reden waarom er een maximale houdbaarheid van 2 jaar geldt voor honing.
Het is een misvatting dat HMF schadelijk zou zijn voor de mens. HMF is niet meer dan een parameter die gebruikt wordt om de 'ouderdom' van honing te bepalen. We weten wel dat HMF schadelijk is voor de bijen. Teveel HMF in voederhoning kan zelfs leiden tot de ondergang van een volk.

Als honing te lang (kwestie van enkele minuten) verwarmd wordt op bv 70 graden, zit je dadelijk op de bovengrens voor HMF.
Vaste honing maak je dan ook niet weer vloeibaar op 70, maar op 35 graden.

Hoe doen die grote inpotters het dan om de HMF-waarde zo laag mogelijk te houden. Hun eigen richtlijn is dat ze proberen de aangroei van HMF onder de 2 microgram per kg te houden gedurende hun verwerkingsprocessen.
Bij Meli hebben ze een soort vaste beitels die krullen trekken uit vaste honing. Die krullen smelten snel. Op het einde zetten ze een infrarood verwarming gedurende 20 tot 30 seconden tegen het vat om de rest te doen smelten. Om de honing te pasteuriseren, brengen ze deze kort op 70 graden, om deze vervolgens snel af te koelen.
Ook bij het Franse bedrijf Lune de Miel hebben ze een speciaal systeem. Ze verwarmen de buitenkant van de silo met vaste honing. Ze draaien die dan om zodat er een soort worst uit de silo schuift. Deze valt op een verwarmde vloer en wordt daardoor langzaam terug vloeibaar om afgevoerd te worden naar het gelijkvloers.

De tweede parameter is de halfwaardetijd van diastase-activiteit. Diastase is het enzyme dat het zetmeel afbreekt. HIer gaat men gaan kijken hoeveel diastase er op een bepaald ogenblik aanwezig is in de honing. Aan de hand van de bekomen waarde, kan men gaan kijken of de honing al dan niet lang werd blootgesteld aan warmte.

De derde parameter is de halfwaardetijd van de invertase-activiteit. Invertase is het enzyme dat de di-sachariden gaat opsplitsen in mono-sachariden. Ook hier gaat men kijken hoeveel invertase er op een bepaald ogenblik aanwezig is in de honing. Aan de hand van de bekomen waarde kan men dan gaan bepalen of de honing al dan niet lang werd blootgesteld aan warmte.

Voor de tweede en derde parameter zijn de testen dus grotendeels gelijklopend. In wezen weet men hoeveel diastase en invertase er in vers geslingerde honing zit. Als men bij aankoop van een potje honing kijkt naar de inpotdatum en men dan de diastase en invertase opmeet, weet men aan welke temperatuur de honing werd blootgesteld.

De halfwaardetijd voor invertase is lager dan deze voor diastase. Die test is m.a.w. dus strenger.

Vanaf 14 juni 26 geldt er een strengere Europese regelgeving voor honing. Vanaf de oogst die valt na die datum, zullen de producenten moeten vermelden op het etiket dat de honing verwarmd werd boven de 40°C. Doen ze dat niet, dan gaat men ervan uit dat de honing niet verwarmd werd en zullen ze moeten voldoen aan de strengere norm van invertase.
Is de honing wel verwarmd, dan moeten ze voldoen aan de norm voor diastase. 


De honing in de winkelketens voldoet meestal aan de HMF en de diastase test. De invertase is hittegevoeliger. De meeste honingen (80%) van de supermarkten falen hiervoor. 

Met de strengere regels hoopt Europa dat de kwaliteit van de honing die verkocht wordt in de winkelketens zal verbeteren. 

Sorry, this website uses features that your browser doesn’t support. Upgrade to a newer version of Firefox, Chrome, Safari, or Edge and you’ll be all set.