Tussen de ogen en de hersenen van de bijen bevinden zich de hypofaryngeale klieren, onder de imkers beter gekend als de papklieren.


Onder normale omstandigheden is het de leeftijd van de werkster die bepalend is voor de werking van deze klieren.
Als de werkster drie dagen oud is, verschijnen er blaasjes in de klieren die mee instaan voor de produktie van bestanddelen van de koninginnenbrij. De piekproduktie van deze klieren wordt opgemeten rond dag zes. Daarna ziet men dat het aantal blaasjes langzaamaan afneemt, alsook het totale volume dat deze klieren innemen. Na drie weken zijn er geen blaasjes meer zichtbaar en kan de werkster dan ook geen koninginnenbrij meer aanmaken. Rond dat tijdstip is de werkster volledig ontwikkeld, en wordt ze ingezet als haalbij.
Vanaf dat ogenblik krijgen de klieren een nieuwe taak toegewezen: ze staan mee in voor de produktie van enzymen die de di-sachariden (sucrose) van de nectar helpen afbreken tot mono-sachariden (glucose en fructose) om deze langzaamaan om te vormen tot honing.

Bij winterbijen, die geen broed verzorgden, ziet men een groot aantal blaasjes in de klieren en deze blijven groot tot in de lente. Op die manier kunnen de winterbijen in de vroege lente het nieuwe broed toch voorzien van koninginnenbrij.

Men is gaan onderzoeken of er naast de leeftijd van de bij nog andere factoren konden gevonden worden die een invloed hadden op de aanwezigheid van de blaasjes in de klieren en hun mogelijkheid tot het afscheiden van koninginnenbrij.
Er werd vastgesteld dat de aanwezigheid van eieren en poppen geen invloed had op de klieractiviteit, terwijl er wel een duidelijk verband kon aangetoond worden met de aanwezigheid van larven. Als men het broed wegnam uit een volk, stelde men vast dat de hoge klieractiviteit na drie dagen volledig verdwenen was. De gevonden gegevens kwamen overeen met de hypothese dat het voedergedrag op zich de klieren activeert, hoewel de mogelijkheid dat larven een feromoon produceren dat de klieractiviteit stimuleert voorlopig nog niet kan worden uitgesloten.

Ook de voeding blijkt een belangrijke rol te spelen. Zo hebben bijen die alleen suikersiroop te eten krijgen kleinere klieren. Als bijen pollen kunnen nuttigen, hebben ze grotere en beter ontwikkelde klieren.

Als laatste parameter vond men ook dat de toestand van het volk belangrijk kan zijn. Op het ogenblik dat een volk een tijdje zonder broed heeft gezeten, moeten vaak oudere bijen de voedstertaken op zich nemen. In een dergelijk geval kon men vaststellen dat de klieren van deze werksters terug konden groeien en opnieuw koninginnenbrij konden aanmaken.
De klieren kunnen zich dus als het ware aanpassen aan de noden van het volk.

 

bron: A Closer Look, Hypopharyngeal glands, Clarence Collison, Beeculture April 2026, pag 17 ev.

Sorry, this website uses features that your browser doesn’t support. Upgrade to a newer version of Firefox, Chrome, Safari, or Edge and you’ll be all set.