Wetenschappelijke benaming: Vespa Velutina Nigrithorax, of ‘de Aziatische hoornaar’, ‘the yellow-legged hornet’, ‘le frelon asiatique’.

Tot 2005 kwamen in Europa twee soorten hoornaars voor: Vespa Crabro (‘de Europese hoornaar’) en Vespa Orientalis (‘de Oriëntaalse hoornaar’). Sinds dat jaar wordt een derde soort hoornaar waargenomen op ons continent: Vespa Velutina nigrithorax of de Aziatische hoornaar.

Europese hoornaar Vespa Crabro - foto Natuurpunt

Vespa OrientalisVespa Orientalis - foto Natuurpunt

Rustende darRustende dar van de Aziatische Hoornaar - foto Cabi.org

De benaming ‘Aziatische Hoornaar’ is niet echt goed gekozen. Er zijn immers 22 erkende soorten hoornaars in Azië terug te vinden die zich vooral van elkaar onderscheiden door hun kleurenpatronen. De kans is groot dat we over enkele jaren nog andere soorten hoornaars uit Azië in Europa zullen zien opduiken. Vandaar dat het eigenlijk correcter is te spreken over de Vespa Velutina Nigrithorax, de ondersoort die zich vandaag reeds in Europa heeft gevestigd.

Vermits de benaming ‘Aziatische Hoornaar’ reeds ingeburgerd is, zullen we in het vervolg van dit document de afkorting AH gebruiken, waarbij we dus eigenlijk steeds doelen op de Vespa Velutina Nigrithorax.

Identificatie van de AH

De AH zijn in wezen gemakkelijk te identificeren, vooral door hun volledig donkere thorax en hun gele poten.

Ze zijn tussen de 25mm en 30 mm lang, gemeten van het hoofd tot staart. In het begin van het seizoen vallen de werksters kleiner uit. Deze individuen werden als larve (pover) gevoed door de koningin. De grootste exemplaren vinden we terug in september, in de periode dat het nest haar hoogtepunt van aantal individuen bereikt.

Enkel gebaseerd op de grootte, kan je de koningin zeer moeilijk onderscheiden van de darren en de werksters.Aziatische hoornaar tekeningAziatische hoornaar werkster

De AH is hoofdzakelijk donkerbruin tot zwart van kleur, met een dunne gele band op het eerste segment van het abdomen, dichtbij de thorax en een bredere oranje-gele band dichter naar de staart toe (op het vierde segment).

Het gezicht is oranje van kleur en ook de monddelen zijn oranje. De vleugels zijn bruinig van kleur en worden in smalle lijnen gevouwen als het insect niet vliegt.

De bovenkanten van de poten zijn donkerbruin van kleur, terwijl de onderkanten van de poten geel zijn.

De darren kan je makkelijker onderscheiden van de vrouwelijke exemplaren. Zij hebben iets langere antennes (één segment langer) en deze antennes zijn iets meer gekruld. Bekijk echter vooral de staart van het insect. Een werkster heeft een angel en heeft daardoor een puntig achterlijf. De darren hebben geen angel en het achterlijf is daardoor meer stompig afgekort. Als je de buikzijde van een dar kan bekijken, zal je twee opmerkelijke gele vlekjes zien aan de staart.

Om te weten of je een koningin hebt gespot of een werkster, dien je het mesoscutum op te meten. Dat is de afstand tussen de twee hechtingen van de vleugels. Bij een werkster is deze afstand kleiner dan 4,5 mm.

 

Als je een verdelgd nest kan analyseren, zal je de koningin herkennen door haar opgezwollen buik en aan het einde van het seizoen door haar beschadigde vleugels en glimmende lichaam.

Het tijdstip van het vangen van een AH kan je ook een identificatie geven over het feit dat je een koningin, werkster of dar in de hand hebt.

Vang je een AH tussen februari en mei, dan is de kans heel groot dat het over een koningin gaat. Tussen het opstarten van het embryonest (zowat half april) en het rondvliegen van de eerste werksters zitten immers ongeveer 50 dagen.

Heb je een AH gevangen tussen mei en september, dan zal het meer dan waarschijnlijk over een werkster gaan. De koninginnen vliegen dan niet meer en er zijn nog geen darren geboren.

Tussen september en november vliegen er zowel werksters rond, als darren en nieuwe jonge koninginnen. In die periode is het moeilijker om te determineren of je een koningin of werkster hebt gevangen. De darren kan je, zoals hierboven beschreven, herkennen aan de vorm van het achterlijf en de twee gele stippen.

Verspreiding van de AH

De Vespa Velutina Nigrithorax is oorspronkelijk afkomstig van Centraal en Oost China. Zij werd per ongeluk geïntroduceerd in Europa (het verhaal gaat dat een koningin in 2005 mee verscheept werd naar Zuid-Frankrijk, samen met een partij Chinees aardewerk. Genetische studies hebben aangetoond dat de in Frankrijk gevangen hoornaars afkomstig zijn van Oost-China).
Sindsdien is het diertje bezig met een sterke vooruitgang. Men stelde vast dat de verspreiding in Frankrijk toeneemt a rato van 78 km per jaar. Intussen werden reeds waarnemingen gedaan in Portugal, Spanje, België, Italië, het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Duitsland, de Kanaaleilanden en de Balearen.
In het begin waren de wetenschappers de mening toegedragen dat de verspreiding van de AH doorheen Europa enkel kon gestopt worden door ongewoon koude winters (omdat het klimaat van de oorspronkelijke habitat van de AH dicht aanleunt bij het klimaat dat men in Zuid-Europa terugvindt). Intussen is men tot de conclusie gekomen dat de verspreiding in Frankrijk zelf het minste groei kende bij droge zomers en dat droogte dus meer impact heeft dan koude.
Men is er zich intussen van bewust geworden dat de AH niet meer volledig kan verdelgd worden in Europa. De grote inspanning dient te gaan naar het bereiken van een evenwicht tussen de aanwezigheid van deze hoornaar en de aanwezigheid van andere insecten.

De verschillende nesten van de AH

Het embryonest

Na hAziatische hoornaar embryonest in vogelkastEmbryonest in vogelkast. Foto : BDKaar winterrust bouwt de koningin in het voorjaar (doorgaans rond half april) een embryonest van een tiental cellen en start daarin met het leggen van enkele eitjes die ze probeert te verzorgen totdat dit na een 50-tal dagen werksters geworden zijn. (Hoe meer men vordert in het jaar, hoe korter de duur tussen ei en werkster zal worden, met een minimum van ongeveer 29 dagen). De koningin dient in die periode dus alle taken op zich te nemen (bouwen van het nest, jagen op proteïnen, warmtehuishouding, etc.) Slechts een beperkt percentage van de koninginnen blijkt hier evenwel in te slagen (in de praktijk stelt men dat er +/- 150 koninginnen geboren worden uit een AH-kolonie en dat slechts gemiddeld 5 koninginnen hiervan erin slagen een nieuwe kolonie op te starten). Dit embryonest is niet te onderscheiden van het embryonest van de Europese Hoornaar en is doorgaans goed beschut opgesteld, dichtbij menselijke activiteit (onder een dak, onder een carport, in een bievenbus,…). Qua grootte kan men denken aan een bolvorm die zich situeert tussen een pingpongbal en een sinaasappel (diameter van 4 tot 5 cm).

Het primaire nest

Over het primaire nest blijken de meningen verdeeld te zijn.

Strekking één (beschreven op cabri.org)

Als er genoeg werksters zijn, zullen deze starten met de bouw van een nieuw nest, het primaire nest. Dit nest is eveneens dicht bij de menselijke activiteit te vinden (meer dan 75% wordt gevonden in of tegen constructies die door de mens gebouwd zijn) en kan in omvang uitgroeien tot ongeveer een voetbal groot. Deze nesten worden doorgaans teruggevonden op hoogtes die lager zijn dan 10 meter. Primaire nesten worden teruggevonden tussen zowat mei en augustus. Zoals bij het embryo nest is het aanvlieggat te vinden aan de onderkant van het nest.

Strekking twee (beschreven in The Asian Hornet Handbook)

Als er genoeg werksters zijn, zullen deze het embryonest verstevigen en uitbouwen tot een primair nest. 

Het verschil tussen de twee strekkingen is dus dat er in het eerste geval sprake is van een verhuis naar een nieuwe nestlokatie, terwijl men in de tweede strekking ervan uit gaat dat de lokatie dezelfde blijft en het nest verder wordt uitgebouwd. We hopen meer duidelijkheid te krijgen over hoe de embryonesten doorgroeien tot primaire nesten in de komende jaren.

Het secundaire nest

Ongeveer 70% van de kolonies zal uiteindelijk het primaire nest te klein vinden en (nog eens?) een nieuw nest uitbouwen (het secundaire nest). De transitie van een primair nest naar een secundair nest duurt ongeveer een maand. Het secundaire nest wordt doorgaans gevonden binnen een straal van 10 tot 180 m (meestal binnen de 60 m) van het primaire nest en neemt de grootste proporties aan (in de praktijk zien we nesten van de grootte van strandballen, tot de exemplaren van 1m op 80 cm zoals er in Frankrijk eentje werd ontdekt. Meer dan 75% van de secundaire nesten worden teruggevonden in natuurlijke structuren, zoals in de kruin van een hoge boom (tot ongeveer 40 m hoog). De voorkeursbomen blijken eiken (64%), dennebomen (16%), platanen (4%) en populieren (2,5%). Nesten van verschillende kolonies kunnen zich dicht bij elkaar bevinden. In Frankrijk heeft men zelfs vier nesten in éénzelfde boom teruggevonden. Deze kolonies bekampten elkaar niet.

Het aanvlieggat van het secundaire nest bevindt zich aan de zijkant van het nest.
Tegen het einde van de zomer bereikt het nest de maximale grootte met meer dan 1000 volwassen werksters en honderden tot duizenden larven en poppen die kunnen uitgroeien tot koninginnen of darren.

Let wel op : de uitgroei van embryo nest naar primair nest en dan secundair nest, respectievelijk op lage hoogte, op een hoogte tot +/- 10 m en dan op een hoogte tot +/- 40 m is een theoretisch model waar de AH zich niet altijd aan houdt. Zo zijn er ook al primaire nesten gevonden in de grond en secundaire nesten van grote omvang in braamstruiken van nog geen 2m hoog.

Zoals de gewone wespen, maken de AH het nest uit hout dat van dode bomen wordt gehaald. De nesten worden allen slechts één keer gebruikt. Ze worden na het gebruik vernietigd door vogels, het weer etc. Toch wordt vastgesteld dat dezelfde nestlokaties meerdere jaren na elkaar gebruikt kunnen worden (dus bijvoorbeeld een nieuw nest dat gemaakt wordt in dezelfde boom als het jaar voorheen).

De darren en nieuwe koninginnen worden geboren vanaf september en verlaten het nest tot ongeveer eind november. De darren zoeken geen voedsel voor de larven en helpen het nest niet mee te verdedigen (ze hebben immers geen angel). De bevruchting van de nieuwe koninginnen vindt vermoedelijk plaats in de kruinen van bomen.
Na de bevruchtingsperiode sterven de darren. De jonge koninginnen zoeken een beschermde plek om de winter door te komen en de stichtende koningin sterft. Ook de werksters overleven de eerste koude niet en sterven af.

Aangezien men in Frankrijk merkte dat de AH zich per jaar verspreid over een afstand van 78 km, gaat men ervan uit dat de bevruchte jonge koninginnen een migratie uitvoeren na de winterrust. Een migratie na de winter zorgt ervoor dat ze hun volledige vetreserves kunnen gebruiken voor de overwintering.

Als de koningin sterft vooraleer ze zich kan reproduceren, nemen enkele werksters de taak van het leggen van eitjes over. Dit zijn per definitie onbevruchte (haploïde) eitjes waaruit enkel darren kunnen ontstaan. Er zijn reeds dergelijke haploïde nesten gevonden, maar doorgaans sterven dergelijke kolonies snel uit.

Eén van de sleutelfactoren tot succes van de AH is dat ze (zoals de honingbijen) in staat zijn de temperatuur in het nest te regelen en op een constante 30° te brengen. Als het buiten te warm wordt, ventileren ze het nest. Water wordt aangebracht op het nest en door het wapperen met de vleugels wordt warmte eraan onttrokken (door verdamping).

In Azië ziet men een lagere densiteit in het aantal nesten per km² van de AH dan in Europa, waarschijnlijk omdat er daar meer concurrentie is van andere hoornaarsoorten voor de voedselbronnen en nestmogelijkheden.
In Frankrijk werden tot 23 nesten per km² waargenomen in een stedelijke omgeving en tot 8 per km² in eerder gemengd gebruik van het landschap.

Voeding

Gedurende het larvenstadium worden de AH gevoed door de werksters met proteïnen. Deze worden vooral gewonnen uit de jacht op middelgrote tot grote insecten, met een voorkeur voor de honingbijen. De proteïnen worden eveneens gewonnen uit het vlees van zoogdieren, vogelkarkassen, vis, etc.

Dit voedsel wordt verzameld binnen een straal van 350m van het primaire nest en 700m van het secundaire nest, maar er zijn ook uitzonderlijke gevallen waargenomen waarbij een hoornaar tot 5 km ver vloog voor het verzamelen van voedsel.

Tijdens de jacht op honingbijen, gaat de AH zich op 30 tot 40 cm voor de vliegopening ‘positioneren’. Het insect blijft er in de lucht hangen als een kolibrie en vangt aankomende, zwaarbeladen honingbijen uit de lucht (dit in tegenstelling tot andere hoornaarsoorten die eerder landen op de vliegplank om een daar aanwezige bij te vangen). Eens een bij gevangen is, kan deze rechtstreeks naar het nest gebracht worden, maar meestal wordt waargenomen dat de bij naar een dichtbij zijnde tak wordt gebracht waar het slachtoffer wordt ontdaan van het hoofd, de vleugels, de poten en het achterlijf. Wat overblijft is dan de spiermassa van het borststuk dat aan de larven wordt gevoed. De AH zal vaak terugkomen naar eenzelfde bijenkolonie om bijen te vangen. Dit is meer en meer het geval naar het einde van het seizoen toe. Dan zijn er immers vele koninginnen die moeten grootgebracht worden. Er zijn waarnemingen van AH-individuen die op één dag tot 30 keer terugkwamen naar dezelfde bijenkolonie.

Volwassen AH voeden zich met nectar, rijp fruit en bomensap. De larven scheiden een zoete vloeistof af die de volwassen exemplaren ook graag nuttigen.
Men heeft in Azië vastgesteld dat de AH tot 30% van een kolonie van de honingbij kunnen vernietigen. De hoornaars vallen eerst één voor één de wachters aan en beroven dan het nest om de eigen larven te voeden. Het gebied vóór de ingang van het nest wordt als territoriaal gezien: als andere hoornaars dit gebied willen binnenkomen, worden ze snel verjaagd. Indien de belasting door de AH op de bijen te groot wordt, kan de bijenkolonie zo verzwakken dat er te weinig werksters zijn en de hoornaars zich tegoed kunnen doen aan honing en broed.
In Frankrijk zijn er nog niet genoeg data ter beschikking om concrete uitspraken te doen over het verlies aan bijenkolonies. Toch wordt het getal van 30% naar voor geschoven als zeer plausibel.
De bijenkolonies sterven niet terwijl ze aangevallen worden door de hoornaars, maar gaan meestal ten onder in de winter omdat er te weinig bijen overblijven om de wintercluster te vormen, en ook door gebrek aan voedselreserves omdat de werksters het niet meer aandurfden het nest te verlaten en dus geen voorraad meer aanlegden.
In Azië wordt waargenomen dat de bijen een bol maken rond een hoornaar om deze te doden (door de hoge temperatuur die ontwikkeld wordt). Dit gedrag wordt nog niet consequent waargenomen bij onze Europese bijen.

Natuurlijke vijanden

In Europa heeft de AH geen natuurlijke vijanden. Er zijn wel waarnemingen van de Europese honingbuizerd en de Europese bijeneter die nesten aanvielen, maar deze hebben een verwaarloosbare impact op de populatie van de AH. Spechten, gaaien en mezen worden regelmatig gezien terwijl ze de resterende larven uit nesten halen in de periode dat de nesten bijna verlaten zijn tegen de winter aan. Ook zij hebben weinig impact omdat ze geen actief nest van de AH durven aanvallen.

Levensverwachting van de AH

Over dit punt zijn de wetenschappers het nog niet eens. In een labo-omgeving kon men AH gedurende 142 dagen in leven houden. In de vrije natuur zal die levensverwachting wel heel wat korter zijn. Er is evenwel een soort van minimale levensverwachting naar voor geschoven van 26 dagen.

Bronnen: https://www.cabi.org/isc/datasheet/109164 en het boek 'The Asian Hornet Handbook' van Sarah Bunker.

Sorry, this website uses features that your browser doesn’t support. Upgrade to a newer version of Firefox, Chrome, Safari, or Edge and you’ll be all set.